Column Johan Remkes
De Amsterdamse woningmarkt: verhuiswagens en eenarmige bandieten
De opinie van Johan Remkes, Staatssecretaris VROM
De Amsterdamse woningmarkt heeft veel weg van een oude sovjetwinkel. Daar stonden lange rijen voor de deur. Binnen regeerden norse verkoopsters, die geen boodschap hadden aan hun klanten. Op de grotendeels lege schappen stonden wat spullen die door een autistische planeconomie waren uitgebraakt.

De woningmarkt is al even eenzijdig. Het merendeel van de woningen in Amsterdam bestaat grotendeels uit kleine huurhuizen, terwijl hogere en middeninkomens schreeuwen om grotere woningen, vooral in de koopsector. Mensen uit die groepen trekken hun consequenties en stemmen met de verhuiswagen. Daardoor verliest de stad mensen die keihard nodig zijn, zoals agenten, leraren en verpleegkundigen.
Gelukkig is er inmiddels wel een nieuw woningvoorraadbeleid, zijn er afspraken gemaakt over de verkoop van 58 duizend woningen en wordt er geherstructureerd in de Bijlmermeer (en binnenkort ook in de Westelijke Tuinsteden en in Noord). Maar het veranderingsproces verloopt nog niet bepaald snel. Weliswaar verdubbelt het percentage koopwoningen van 17 naar 35% in 2010, maar in vergelijking met andere steden blijft het toch nog erg laag.

Er moeten enorm veel nieuwe woningen worden gebouwd, maar de nieuwbouw stagneert. Dat heeft vele redenen en is zeker niet alleen de schuld van de gemeente. Aan de andere kant: het zou een stuk schelen als de gemeentelijke eisen wat minder gedetailleerd zouden zijn. De gemeente moet inderdaad de regie hebben, maar niet op de vierkante millimeter.

Ook de woningbouwcorporaties kunnen bijdragen aan een oplossing van het probleem. Ze moeten echt veel meer huurwoningen verkopen dan ze nu doen.

Bovendien moeten ze de huurder meer ruimte geven om aan zijn huis te werken. Het is logisch dat mensen een woning naar hun smaak en behoeften kunnen inrichten. Daarbij mogen ze niet door pietluttigheid worden gehinderd. Natuurlijk moeten er redelijke grenzen zijn, maar te veel corporaties houden nog strikt vast aan de bepaling dat een huurder zijn woning bij vertrek in de oude staat terug moet brengen.
Niet alleen huurders, ook kopers moeten meer vrijheid krijgen. Ze moeten meer hun eigen architect kunnen zijn. Gemeenten, corporaties en bouwers moeten de koper ruimte laten om zelf zijn huis vorm te geven. De particuliere opdrachtgever staat nu tegenover een machtsblok, dat zich verstopt zich achter fabeltjes als: “de mensen willen dat niet” en: “ze kunnen dat niet, want het wordt lelijk.” Paternalistische onzin: de burger verdient een kans. Dat het prima kan blijkt op Borneo Sporenburg, en ook op het Steigereiland zal het straks lukken.

Er doet wel meer bakerpraat de ronde. Bijvoorbeeld dat allochtonen niet geïnteresseerd zouden zijn in het kopen van hun huurwoning. Onder Turken en Marokkanen staat particulier woningbezit juist zeer hoog aangeschreven.

Wie een huis wil kopen in Amsterdam moet trouwens met een enorme zak geld aankomen. Ik erger me nogal aan de eenarmige bandiet van het Amsterdamse grondbeleid. Ik ken het geval van een koper die in Westerpark voor 610 duizend gulden een appartement kocht. 277duizend gulden daarvan was nodig om de erfpacht af te kopen. Het gemeentelijke grondprijsbeleid heeft trouwens ook nadelige gevolgen voor het bouwproces.

Gelukkig heeft het Grondbedrijf zelf ook het idee dat er iets moet gebeuren. Om de stagnerende nieuwbouw weer op gang te helpen heeft het een nieuw plan gelanceerd. Het wil 14-duizend euro korting op de grondprijs geven voor elke nieuw te bouwen sociale huurwoning. Wethouder Stadig bekijkt het plan binnenkort.

Mij lijkt het een stap in de goede richting. Maar er zijn er nog heel wat nodig in Amsterdam.

 

 

Trefwoorden: