Amsterdam, yuppenstad

Zelfs enkele ‘krachtwijken’ van het VROM-lijstje zijn potentiële yuppenwijken
Amsterdam, yuppenstad

Komt u in uw buurtsuper ook steeds vaker van die frisse types tegen met een magnetronmaaltijd en een fles prosecco? Alle kans dat uw buurt aan het veryuppen is. Dat blijkt ook uit de cijfers. Amsterdam neemt een voor Nederlandse begrippen unieke positie in. Nergens anders zijn zoveel yuppenwijken of wannabee-yuppenwijken. Zelfs enkele ‘krachtwijken’ van het VROM-lijstje zijn potentiële yuppenwijken.

Soms lijkt het wel een nationale sport om steden en wijken van een etiketje te voorzien. Er zijn honderd en één manieren om dit te doen. RIGO heeft onlangs een poging ondernomen om een typologie te construeren die iets zegt over het vertrouwen dat mensen hebben in een wijk, of juist het gebrek aan vertrouwen. Er wordt gekeken naar drie kenmerken die elkaar aanvullen (en voor een deel overlappen): bevolkingsdynamiek, gewildheid en sociaal-economische status. Het schaalniveau is dat van vierpositie postcodegebieden. Het yuppengehalte van de stad wordt door de typologie bevestigd en blijkt uniek voor Nederland. Tegelijkertijd toont de stad duidelijk twee gezichten.

 

Stemmen met de voeten

Een van de kenmerken in de typologie is leeftijdspecifieke aantrekkingskracht van wijken. Het idee hierachter is dat mensen ‘stemmen met de voeten’. Als het ze ergens niet bevalt gaan ze weg of komen ze er niet wonen. Het meest relevant daarbij zijn dertigers, omdat op die leeftijd veelal sprake is van bewuste keuze om zich ergens ‘definitief’ te nestelen. Wie op zijn veertigste eenmaal ergens gesetteld is, vertrekt meestal voorlopig niet meer. Wanneer een gebied aantrekkelijk is voor eind-dertigers en/of begin-veertigers mag dit normaal gesproken als een teken van vertrouwen worden gezien.

Kaart 1 en 2

Met behulp van tijdreeksen in de bevolkingsstatistiek is een maat geconstrueerd die iets zegt over de aantrekkingskracht van wijken in de loop van iemands leven. Strikt genomen gaat het om een combinatie van aantrekkingskracht en ‘vasthoudingskracht’. Het blijkt dan dat de meeste Nederlandse stadswijken niet bijzonder in trek zijn onder dertigers. Mensen in deze leeftijdsklasse plegen de binnenstedelijke wijken te verlaten of te mijden. Tot op zekere hoogte is dat normaal voor de positie die een stad heeft in de levensloop van mensen en op de regionale woningmarkt. Jongeren ontwikkelen zich in de stad, maar settelen over het algemeen in de suburbs. Dit patroon past in de metafoor van de stad als emancipatiemachine, roltrap dan wel opwerkingsfabriek.
De meeste steden kennen grote dynamiek onder jonge twintigers. Amsterdam weet ook ‘oudere jongeren’ enige tijd vast te houden dan wel aan te trekken. Alle wijken ‘binnen de ring’ (het gebied binnen de A10, exclusief Noord) oefenen grote aantrekkingskracht uit op eind-twintigers en sommige ook nog op begin-dertigers. In bijgaande kaartjes is dat te zien. Eind-twintigers (personen in de leeftijd 25-29) blijken in de voorbije vijf jaar van hun leven onder meer te zijn aangetrokken door delen van de negentiende-eeuwse gordel. Oud-West, Westerpark en de Pijp zijn duidelijk populair, maar eigenlijk geldt dat voor grote delen van de stad. Kijken we vijf levensjaren verder, naar de begin-dertigers, dan verandert het beeld. De Pijp en de binnenstad zijn dan niet meer in trek. Ook De Baarsjes en Bos en Lommer hebben geen ijzersterke marktpositie onder begin-dertigers. Binnen de ring zijn het Oostelijk Havengebied en Watergraafsmeer nu de trekkers. En buiten de ring komen Amstelveen, De Aker, Landsmeer en verder weg gelegen suburbane gebieden in beeld. Nieuwbouwwijken zijn hier overigens buiten beschouwing gebleven, wegens ontbreken van een stabiele tijdreeks.
Het gaat hier om accentverschillen. Er zijn in alle delen van de stad wel mensen die er tot hoge leeftijd blijven wonen. En ook Amsterdam ontkomt niet aan enige mate van vergrijzing. Maar wie door de vergrijzing heen kijkt ziet dat Amsterdam een jongerenmagneet is.

Gewildheid

Leeftijdsspecifieke aantrekkingskracht op zichzelf zegt nog niet genoeg over het vertrouwen in een buurt. Daarom is in de typologie tevens gekeken naar het prijsniveau op de koopwoningmarkt, meer specifiek naar de vraagprijs per vierkante meter. Dit is een zeer valide indicator voor de gewildheid van een woongebied. Als mensen er veel geld voor over hebben om ergens te wonen, dan zit het met het vertrouwen in de buurt wel goed, ook al blijven de meesten er niet lang. Om wijken door heel Nederland te kunnen vergelijken is de vierkante meterprijs uitgedrukt ten opzichte van het prijsniveau in de omgeving, dat wil zeggen gemeenten in een straal van vijftien kilometer.
Wat dan blijkt is dat in Amsterdam de verschillen in gewildheid (of ‘status’) tussen wijken enorm zijn. Er zijn maar weinig andere steden waar zulke grote statusverschillen op korte afstand voorkomen. En er zijn maar weinig steden waar een groot deel van de binnenstad een hogere status heeft dan vele suburbane gebieden in de wijde omtrek. Kaart 3 met prijsniveaus behoeft geen nadere toelichting.

Kaart 3

Yuppenwijken

Wanneer nu de leeftijdspecifieke aantrekkingskracht wordt gecombineerd met gewildheid, dan dringt zich het beeld op van een Amsterdam binnen de ring waar (kansrijke) jongeren en ‘oudere jongeren’ graag een deel van hun leven doorbrengen en bereid en in staat zijn om zich voor veel geld een kleine etage aan te schaffen of voor nog veel meer geld een grotere etage. Gezien de combinatie van aantrekkingskracht op (oudere) jongeren en prijsniveau (ofwel gewildheid) verdienen de betreffende wijken het label ‘yuppenwijken’. De typologie wordt gecompleteerd door toevoeging van het aandeel werklozen in de wijk. Daarmee kan onder meer onderscheid worden gemaakt tussen de echte yuppenwijken (waar bijna geen werkloosheid voorkomt) en de ‘potentiële yuppenwijken’, waar ook nog werklozen wonen.

Het profiel van de yuppenwijk is tamelijk uniek in Nederland. Van de bijna 1.650 stedelijke postcodegebieden die konden worden getypeerd (de woonmilieus ‘dorps’ en ‘landelijk’ zijn buiten beschouwing gebleven), hebben er dertien het label yuppenwijk gekregen, waarvan zes in Amsterdam. Elders in Nederland zijn yuppenwijken te vinden in de binnensteden van Den Bosch, Haarlem, Utrecht en Den Haag. Steden als Groningen, Delft en Leiden kennen wel studentenwijken met een driftig komen en gaan van jongeren, maar geen yuppenwijken. Daarvoor zijn de jongeren weer te snel weg. Andere steden kennen wel hoge-statuswijken met weinig werklozen, maar dit zijn veelal wijken die ook gezinnen met kinderen en begin-veertigers aantrekken en daarmee behoren ze tot een wezenlijk ander type: de ‘gearriveerdenwijken’.

Schizofrene wijken

Ook ‘potentiële yuppenwijken´ vinden we bijna exclusief in Amsterdam, namelijk 22 van de 37. Sterker nog, vrijwel alle postcodegebieden binnen de ring kunnen als zodanig worden getypeerd. Als nauwkeuriger wordt gekeken zijn er nog wel aanzienlijke verschillen binnen de ring. De Helmersbuurt is bijvoorbeeld gewilder dan de Indische Buurt West en kent ook een beduidend lagere werkloosheid. Maar in landelijk perspectief zijn de overeenkomsten tussen deze gebieden groter dan de verschillen.
Sommige potentiële yuppenwijken zijn en beetje schizofreen. Enkele figureren zelfs op het lijstje krachtwijken van VROM (bijvoorbeeld de postcodes 1056 en 1057, rondom het Mercatorplein). Die positie hebben ze onder meer te danken aan een laag inkomensniveau en betrekkelijk veel werkloosheid. Een laag inkomensniveau is hier echter misleidend. De vele jongeren die op deze wijk afkomen zijn misschien objectief gezien arm, maar zeker niet allemaal kansarm. Een wijk waar mensen bovengemiddeld veel geld over hebben voor een vierkante meter woonruimte kan toch bezwaarlijk als probleemwijk worden bestempeld. Het schizofrene zit hem in de mix van kansarm en kansrijk in deze wijken. Het zullen niet de werklozen zijn die hier voor veel geld een etage te kopen. Hier leven kansrijken en kansarmen naast (en vermoedelijk ook langs) elkaar.

Stad met twee gezichten

Buiten de ring is Amsterdam niet zo uniek. De typen die we daar aantreffen komen ook veelvuldig voor in andere Nederlandse steden. Hier vinden we naast ‘doorsnee stadswijken’, ‘nestelaarswijken’ en ‘gearriveerdenwijken’ ook wijken met een minder gunstig vertrouwensprofiel. Zoals de Bijlmer, een gebied dat ondanks alle inspanningen nog altijd niet bijster gewild is en door dertigers als het even kan wordt gemeden. Dit type heeft het label ‘liever niet wonen’ gekregen. Of Buikslotermeer, waar zich wel dertigers en gezinnen met kinderen settelen, maar waar de werkloosheid zo hoog is en het prijsniveau zo laag dat je je moet afvragen of die gezinnen dat van harte doen. Dit type is ‘toevluchtsoord’ genoemd. En dan zijn er nog de ‘kansarme gezinswijken’, zoals De Kolenkit. Het zijn met opzet wat suggestieve benamingen en er zijn ongetwijfeld liefhebbers te vinden die het volste vertrouwen in deze wijken hebben, maar toch is de plaatsing van de Bijlmer of Nieuwendam-Noord op de Vogelaarlijst wel te begrijpen.

Kaart 4

Er valt vanzelfsprekend het nodige aan de typeringen te nuanceren. Zo doet het grove schaalniveau van viercijferige postcodegebieden geen recht doet aan de verschillen binnen zo’n gebied. Dat kan tot vreemde uitkomsten leiden. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar het gebied in Amstelveen waar Uilenstede zich bevindt. Het is een starterswijk, waarschijnlijk door de overheersende invloed van het studentencomplex, terwijl Uilenstede maar een klein deel van het gebied beslaat. De typologie heeft een verkennend karakter. Wie de nuance zoek kan de gehanteerde gedachtegang ook op ander schaalniveau toepassen en kan andere namen voor de etiketjes bedenken.
Als we ons even op de grote lijn concentreren, valt moeilijk aan de conclusie te ontkomen dat Amsterdam een stad met twee gezichten is. En voor zover kan worden nagegaan wordt het onderscheid binnen-buiten de ring eerder groter dan kleiner. De huizenprijzen per vierkante meter bijvoorbeeld zijn in de periode 2003-2007 binnen de ring harder gestegen dan daarbuiten (bron: O en S).

Grenzen aan de veryupping

Wie de veryupping binnen de ring betreurt moet bedenken dat deze ontwikkeling in historisch perspectief een succesverhaal is. Hoewel yuppen heel vervelend kunnen zijn, zullen slechts weinigen nostalgische verlangens koesteren naar het Gerard Douplein van pakweg twintig jaar geleden. In tal van afgeleefde buurten is door de belangstelling van jonge stedelingen het vertrouwen hersteld. Dat daar ook speculanten van hebben geprofiteerd en dat de prijzen zijn opgedreven kan niet worden ontkend, maar in Amsterdam valt er tenminste iets te speculeren, zelfs in vermeende ‘probleemwijken’. In andere Nederlandse steden probeert men vergeefs de succesformule van de Pijp te achterhalen.
Tot op zekere hoogte is de ontwikkeling te sturen. Bijvoorbeeld door verkoop van huurwoningen, door de bouw van studentencontainers of door ruime mogelijkheden voor ‘short stay’. Jong talent gaat niet eindeloos op een wachtlijst staan; die zoeken hun eigen weg. Bos en Lommer en De Baarsjes zijn door verkoop opengebroken voor jonge koopstarters, veelal tweeverdieners, voor wie de Jordaan of Oud-West een stapje te duur zijn geworden. Een cultuurtempel als de Westergasfabriek heeft de mentale kaart van de binnenstad wat opgerekt. Ook dat helpt.
Of de veryupping is te exporteren naar buiten de ring, gesteld dat we dat zouden willen, valt te betwijfelen. Ruimtelijke ordenaars zullen geneigd zijn het succes toe te schrijven aan (reproduceerbare) fysieke aspecten: een hoge dichtheid, stapeling en functiemenging. De belangrijkste succesfactor is echter moeilijk te reproduceren: een kritische concentratie van (jong) volk met een gemeenschappelijke grootstedelijke leefstijl, die een stedelijk gebied de juiste ‘vibe’ kan verschaffen. De traiteur, de wijnbar, de hippe kapperszaak en de bakfietsenboer moeten wel genoeg betalende klanten hebben. Die kritische massa, die ook nog eens vluchtig is en continu moet worden ververst, is slechts op een beperkt grondgebied haalbaar. De meeste Nederlandse steden lukt het niet eens in één wijk.

Los van de vraag of de wijken buiten de ring en hun bewoners wel gebaat zijn bij veryupping, zijn de mogelijkheden daartoe dus beperkt. Het centrum van de metropoolregio Amsterdam lijkt nu ergens bij de ring A10 op te houden, met potentiële uitlopers naar vooroorlogs Noord en heel wellicht nog wat enclaves. Daarbuiten begint een andere wereld, die meer gemeen heeft met Hoofddorp, Purmerend en de rest van stedelijk  Nederland dan met Oud-West en de Pijp.

André Buys
 

De informatie uit dit artikel is gebaseerd op de studie ‘Tekenen van vertrouwen’ die is gemaakt in opdracht van de Politieacademie, programma Politie en Wetenschap. Het rapport is (binnenkort) te vinden op de website www.politieenwetenschap.nl/ onder publicaties/verkenningen.