De comeback van de coöperatie

Het burgerinitiatief in het economisch domein
De comeback van de coöperatie

Nieuwe en herontdekte organisatievormen, zoals de aloude coöperatie, kunnen zorgen voor duurzame lokale economische groei, betoogt Joost Beunderman. Gelukkig is Nederland vanouds een coöperatieland en bruist Amsterdam van de initiatieven. De overheid zou - al terugtredend - toch een handje kunnen helpen, zowel bij het aanwakkeren van burgerinitiatieven als bij het opstellen van ondersteunde wet- en regelgeving.

Joost Beunderman
Joost Beunderman is een van de directeuren van 00:/ [zero zero], een Londens strategie- en ontwerpbureau. Hij leidt er een reeks onderzoeks- en adviesprojecten en was hoofdauteur van het Compendium for the Civic Economy, waarvan in september van dit jaar de tweede druk verschijnt, uitgegeven door TrancityxValiz. Ook schreef hij recentelijk met Rotterdams architectuurcentrum AIR het pamflet ‘De Empathische stad’. Voordat hij begon bij 00:/ werkte Joost onder meer met Urhahn Urban Design en de Engelse beleidsdenktank Demos.

In 1887 schreef de Amerikaanse advocaat en auteur Edward Bellamy - van de Bellamystraat in Amsterdam-West - zijn beroemde boek Looking backward – in het Nederlands vertaald als ‘Terugblik uit het jaar 2000.’ Hij beschrijft daarin de lotgevallen van Julian West, die in 1887 in Boston in slaap valt en wakker wordt in 2000.

West ontwaakt in een harmonieuze, utopische samenleving. Productiemiddelen zijn genationaliseerd; het leven vindt plaats rond collectieve voorzieningen, zoals gezamenlijke eetzalen; iedereen kan met z’n 45ste met pensioen. Het verhaal is gelardeerd met vernuftige technologische vondsten – waaronder een soort credit card zonder aflossing en een apparaat dat muziek en kerkdiensten uitzendt – en uitleg over de achterliggende principes van deze utopische maatschappij.

Over de transitieperiode blijft Bellamy vaag, maar hij meldt wel dat de nieuwe samenleving minder door klassenstrijd of politiek is verwezenlijkt dan door collectief inzicht en naastenliefde. Bellamy schreef zijn utopische roman om misstanden in de Verenigde Staten aan de kaak te stellen. Hij verafschuwde het toenmalige rauwe kapitalisme als een “maatschappij voor roofdieren”, waarin de winst van de een het verlies van de ander was. Rechtvaardige institutionele systemen, zo maakte hij duidelijk, vormden de ruggengraat van betere menselijke verhoudingen.

 NUL20 vroeg mij tien jaar vooruit te kijken en te schrijven over burgerinitiatieven en de heruitvinding van de aloude Nederlandse coöperatie. Het was verleidelijk om ook een utopie te schilderen, maar in tegenstelling tot Bellamy hoef ik niet al te vaag te zijn over de overgang van nu naar dan. De groei in burgerinitiatieven en nieuwe economische organisatievormen vindt namelijk op dit moment al plaats. De trend is duidelijk zichtbaar en de heruitvinding van coöperatieve systemen is dan ook geen breuk, maar eerder een logische – of op z’n minst voorstelbare – volgende stap.

Maar laten we ambitieus zijn en de vraag stellen waar deze inmiddels breed opgemerkte trend van ‘do it yourself’ toe kan leiden.

Het vrijwilligersdebat voorbij

Wanneer we het in 2022 hebben over wijkondernemingen of bottom-up initiatieven, dan mag ik hopen dat we het niet meer alleen hebben over vrijwilligerswerk of over burgers die taken overnemen die de overheid heeft wegbezuinigd.

Ik verwacht dat er tal van nuttige lokale en coöperatieve ondernemingen zijn opgericht op verschillende gebieden. Zoals we die nu al zien ontstaan rond energie, zorg, stedelijke voedselproductie of gedeelde werkruimte, maar je kunt ook denken aan nieuwe soorten dorps- of wijkwinkels, talentontwikkelingsmaatschappijen, voetbalclubs in handen van supporters en coöperatieve kroegen, auto-deeldiensten, crèches en bierbrouwerijen.

‘Vertrouwen in burgers’ is daarmee geen wens meer, maar een natuurlijk uitvloeisel van een praktijk van burger-ondernemers. ‘Crowdfunding’ is dan geen panacee voor bezuinigingen meer, maar een mogelijkheid om je geld lokaal te investeren in dingen die je belangrijk vindt en die ook nog eens financieel rendement kunnen opleveren. Dan ontstaat een netwerk van geestverwanten in binnen- en buitenland en mede-initiatiefnemers waarin kennis, ervaringen en praktische voorzieningen worden gedeeld.

In zo’n samenleving trekt de overheid samen op met burgers die initiatief nemen. Ze wentelt geen taken en verantwoordelijkheden af op burgers, maar faciliteert kennisuitwisseling, stimuleert ambities, ruimt belemmerende regelgeving op en investeert soms vroegtijdig in nieuwe ideeën. Vanuit 2022 bezien zijn de vijf jaar na 2012 de jaren waarin de ommekeer definitief beslag kreeg.

Al doende lerend

Ik verwacht dat in Nederland met name het aantal lokale coöperaties weer flink gaat groeien. Amsterdam kan, voortbouwend op de vele initiatieven die er al zijn, daarin het voortouw nemen. Naast bekende projecten als de Tolhuistuin en Amsterdam Energie zijn er vele andere ontluikende wijkondernemingen op alle gebieden. Een groot aantal burgers en sociaal ingestelde ondernemers is bezig met nieuwe initiatieven op basis van zelforganisatie - in de openbare ruimte, in reactie op het sluiten van bibliotheken, om nieuwe kansen te creëren voor achtergestelden, noem maar op. De stad heeft het talent, de energie, inventiviteit, passie en – jawel – het beschikbare kapitaal onder burgers om dit voort te stuwen.



De verduurzaming van dergelijke initiatieven is nu de grote opgave. Kan zelforganisatie professionaliseren, en daarmee duurzaam worden zonder te verengen of verbureaucratiseren? Dat is een vraag waar initiatieven als Trust Noord of de Rotterdamse stichting die de Singeldingen-kiosk beheert - ook een prachtig initiatief in de openbare ruimte - mee zitten. Wat voor vorm krijgt de nieuwe buurtspeeltuin, het onderlinge zorgnetwerk, de buurtwinkel? Kunnen nieuwe organisaties ontstaan die eigen grond en gebouwen inzetten op een manier die sociaal zinvol, commercieel duurzaam en bovendien leuk is? Die niet alleen wegbezuinigde overheidstaken overnemen, maar ook goederen en diensten aanbieden die markt noch staat tot nu toe boden?



Vaak zijn de nieuwe burger-ondernemers al doende lerend; een ontdekkingsproces met nieuwe waarde- en verdienmodellen. Niet op papier maar in de praktijk. Eerst kijken wat aanslaat, dan pas formaliseren. Het is vergelijkbaar met het  ‘lean startup’-proces beschreven door Erik Ries in het boek met dezelfde naam. Hij beschrijft hoe ondernemers, met name in de tech-wereld, steeds vaker hun ideeën, producten en diensten in snelle cycli aan gebruikers laten zien en uittesten in plaats van lang ‘in het lab’ blijven hangen en miljoenen uitgeven aan prachtige spinsels waar niemand op zit te wachten.



Die verduurzaming kan vele vormen aannemen waarbij coöperatieve ondernemingen veel mogelijkheden bieden. Leden kunnen de werknemers zijn. Denk aan het Rotterdamse Freehouse, waar allochtone vrouwen met een arbeidsmarktachterstand ambachtelijke producten maken en via de coöperatie verkopen. Of de klanten zijn de leden, zoals bij de Londense People’s Supermarket. Zij kunnen lokale, gezonde producten kopen tegen aanzienlijke korting. Maar zzp-ers of kunstenaars kunnen ook samen een verzamelgebouw exploiteren. Op energiegebied bestaan er zowel coöperaties van producenten (zoals de Windunie) als van consumenten. Winst wordt (vaak belastingvrij) uitgekeerd aan leden of leden besparen in aankoopkosten. In sommige gevallen geven ze aandelen uit of kunnen leden zich inschrijven op leningen.

Toekomstmuziek? Deze voorbeelden zijn er al – in Nederland of elders. Bovendien heeft Nederland van oudsher al een aanzienlijke coöperatieve economie. Volgens koepelorganisatie NCR komt de gezamenlijke omzet van Nederlandse coöperaties neer op zo’n 19% van het bruto binnenlands product. Vijf procent van de Nederlandse beroepsbevolking werkt in coöperatief verband. Denk daarbij aan de Rabobank, Achmea, FrieslandCampina en bloemenveiling FloraHolland.

Maar naast dergelijke grote jongens ziet de NCR ook het aantal nieuwe coöperaties nu al sterk groeien: in de zorg, rond duurzame energieproductie en via werkverbanden van zzp-ers. Dit vindt net als vroeger vaak op het platteland plaats. Deels door de kansen die daar liggen (windmolens!), deels vanwege de omstandigheden (verdwijnende winkels en cafés). En wellicht is er een groter saamhorigheidsgevoel.

Publieke aandelen en crowdfunding

Maar ook in Amsterdam kan het snel gaan, met name door slimme stimuleringsprojecten. De vorige Engelse regering schreef, samen met de koepel Cooperatives UK bijvoorbeeld in 2009 de Community Shares Pilot uit, specifiek gericht op het bevorderen van coöperatieve aandelenuitgiftes. Dat leidde tot een verveelvoudiging van het aantal uitgiftes tot meer dan honderd in 2011. Tienduizend burgers investeerden bijna 10 miljoen pond in een grote reeks projecten.

Ook in Nederland zijn er aanzetten in die richting. Zo hebben leden van energievereniging De Windvogel zelf aanzienlijk geïnvesteerd in de uitbreiding en modernisering van hun molenpark.

Je ziet ook de interesse in crowdfunding groeien, al zijn dit voornamelijk giften. Volgens adviesbureau Douw&Koren werd in de eerste helft van 2012 voor 3 miljoen euro bijeengebracht, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2011.  



Dergelijke financiële ‘innovatie’ is belangrijk omdat startende wijk- en sociale ondernemingen vaak moeite hebben met het verkrijgen van leningen. Aandelenuitgifte kan zorgen voor eigen werkkapitaal en een krachtige balans. Waarmee eventueel weer makkelijker leningen kunnen worden aangevraagd. Maar dit ‘democratisch kapitaal’ zorgt sowieso voor lagere kosten (geen dure leningen) en daarmee voor nieuwe welvaart.



Daarnaast geeft het creëren van lokale investeringsmogelijkheden betekenis aan de vaak genoemde maar soms nogal vage wens om economieën ‘lokaler’ te maken. Door lokaal verankerd mede-eigendom kan de band tussen lokale waarde en financiële verdiencapaciteit weer worden hersteld. Als je meer woonplezier beleeft omdat om de hoek een lokale bierbrouwerij komt, is dat al pure winst. Die meerwaarde nog groter als de brouwerij leerwerktrajecten aanbiedt en een bescheiden winst maakt. Waarom zou je daar niet een deel van je spaargeld in willen investeren?

Een financiële verbintenis zorgt bovendien voor een betrokkenheid die verder gaat dan vrijwilligerswerk en burgerinitiatief. Als je spaargeld er in zit, wil je graag meedenken over een bestendige toekomst. Dat is belangrijk, want zelforganisatie is kwetsbaar.

Zo ontstaat een nieuwe sociale infrastructuur die niet meer voor 100 procent afhangt van de goodwill en vrije tijd van burgers, maar mét behoud van energie en passie als krachtbron. Coöperatieve ondernemingen kunnen zowel uitnodigend als transparant zijn en allerlei mogelijkheden bieden voor participatie, waarvan financiële investering er slechts één is.

Geen panacee

Er zijn natuurlijk meerdere rechtsvormen om maatschappelijke ‘ondernemingen’ voor lokaal initiatief vorm te geven. In Engeland zijn de ‘development trusts’ soms coöperaties, maar soms ook stichtingen met ideële doelstelling. Verenigingen bieden weer andere mogelijkheden en soms gaat het in een lokaal initiatief juist om de spontane, ongeorganiseerde energie van buren. Ook sociaal gedreven commerciële ondernemingen kunnen natuurlijk goed werk doen, of je er nu nieuwe juridische vormen voor opricht (zoals de Amerikaanse B-Corp en de Engelse Community Interest Company) of niet.

Desondanks kan de lokale coöperatie een belangrijke aanvulling zijn die economische veerkracht, innovatiecapaciteit en betrokkenheid creëert en die het burgerinitiatief in het domein brengt waar het ook thuishoort: de economie. Te veel wordt ervan uitgegaan – ook in het Engelse debat over de Big Society – dat eerst de burgers moeten veranderen en dan pas de overheid, en dat ‘de markt’ intussen zijn gang kan gaan – terwijl daar juist enorme uitdagingen liggen.

10 jaar NUL20NUL20 bestaat in 2012 tien jaar. De redactie wil dit jubileum niet tevreden terugblikken, maar vooral vooruitkijken. Hoe staat de regio Amsterdam er over tien jaar voor? Welke trends tekenen zich af en op welke wijze kunnen die eventueel worden beïnvloed? In elk van de zes nummers van 2012 vindt u de visie van een deskundige buitenstaander op ‘De Amsterdamse metropool, tien jaar later’. Eerdere bijdragen kwamen van Hugo Priemus, Pieter Tordoir, Leonie Janssen-Jansen en Andy van den Dobbelsteen. In dit nummer - uit Engeland - Joost Beunderman. We besluiten eind november met een bijdrage van Zef Hemel.

Ontdekkingsproces

Wat is er nodig om dit te bereiken? Ik noemde al het Engelse Community Shares project om meer ruchtbaarheid te geven aan de mogelijkheden – en ook om in de praktijk te testen of er meer hindernissen zijn voor opschaling. Maar we moeten verder denken dan alleen de lokale initiatieven. Wat is de infrastructuur die we hier omheen op kunnen bouwen – naast nationale wet- en regelgeving? Een Amsterdams fonds voor sociale innovaties op dit vlak zou een rol kunnen spelen – voor de kleine startinvesteringen die in de ontdekkingsfase zo belangrijk zijn. Dat is iets heel anders dan langdurende subsidies of een projectencarroussel: het zijn de slimme startsubsidies verbonden aan gerichte steun, vaak op peer-to-peer-basis om nieuwe verdien- en werkmodellen goed te doordenken. Zo kunnen partijen ook nog wat van elkaar leren.

 

Maar om echt succesvol te zijn moeten de nieuwe structuren openstaan voor iedereen – en ook echt uitnodigend zijn. Het Engelse Abundance Generation laat zien dat nieuwe financieringsvormen zelfs op het allerkleinste niveau kunnen plaatsvinden – hun platform voor leningen aan duurzame energie-initiatieven begint bij vijf pond. Bellamy zou zeggen: gezamenlijke winst is gebaseerd op het laten meedoen van de ander.

 

Joost Beunderman

Trefwoorden: