Dan liever de lucht in

Hoogbouw niet langer taboe in de hoofdstad
Dan liever de lucht in

Met het schaarser worden van bouwlocaties wordt hoogbouw vanzelfsprekender. Ook Amsterdam gaat de lucht in. Aan het IJ, bij het Amstelstation en op de Zuidas verrijzen nieuwe, soms meer dan 100 meter hoge kolossen. Stedenbouwkundige Soeters vreest voor onaantrekkelijke, winderige straten. Het creëren van voldoende levendigheid moet zwaar wegen, vindt ook de stichting Hoogbouw.

Hoogbouw in Amsterdam

Het silhouet van Amsterdam gaat door de komst van een aantal hoge gebouwen de komende jaren veranderen.
 

Overhoeks:

  • AM bouwt met pensioenbelegger MN een 75 meter hoge woontoren.
  • De Duitse hotelexploitant Maritim krijgt de beschikking over een congreshotel met zeshonderd kamers in een 110 meter hoge toren. Daarnaast ontwikkelt Lingotto een even hoog woongebouw.

Amstelstation

  1. Provast werkt aan plannen voor de Amsteltower, een 100 meter hoge toren met een hotel en 192 middensegment huurwoningen.

Zuidas

  • Bij de verdere uitbreiding van Amsterdam Zuidas is nog een aantal middelhoge gebouwen voorzien. G&S Vastgoed bouwt aan de Mahlerlaan het 70 meter hoge 900 Mahler met 127 huur- en koopappartementen.

Houthaven

  • In de Houthaven realiseert pensioenbelegger Bouwinvest in samenwerking met Dura Vermeer en De Nijs het Pontsteigergebouw, een woongebouw van 90 meter hoog met zo’n 150 woningen.

“Hoogbouw is crimineel.” De Amsterdamse architect en stedenbouwkundige Sjoerd Soeters gebruikt grote woorden om zijn afkeer van hoogbouw van onvoldoende kwaliteit op verkeerde plekken kracht bij te zetten. Zijn bezwaren zijn vooral van stedenbouwkundige aard. “Ons klimaat leent zich niet heel goed voor hoge gebouwen. Op de Croeselaan in Utrecht zorgen de kantoortorens van Rabobank en SNS voor lokale stormen. Zelfs op een windstille dag waait het op de Nieuwe Emmasingel in Eindhoven enorm.” Hij waarschuwt voor het IJ. “Daar waait het niet zelden erg hard. Rond de gevels van die nog te bouwen hoge gebouwen zal de wind vervolgens alle kanten op bewegen. Omhoog, omlaag, opzij. Al heel snel stormt het op de grond zodanig, dat passanten daar grote hinder van ondervinden.” Ook hekelt hij de kwaliteit van dergelijke gebouwen. Als voorbeeld mag dienen de bebouwing van de Zuidas. “Een bewoner heeft op 38-hoog vast een prachtig uitzicht, maar op straatniveau is het leefklimaat er niet bijster aantrekkelijk. Het straatbeeld wordt in hoge mate bepaald door de wanden van parkeergarages of technische ruimtes. Dat zijn saaie, buitengewoon onaantrekkelijke plekken.”

Belangrijke voorwaarden

Volgens hem worden belangrijke voorwaarden waaraan hoogbouw moet voldoen niet altijd goed begrepen. “Heel vaak wordt op een locatie niet meer dan een enkel hoog gebouw gerealiseerd. Een dergelijk losstaand gebouw heeft weinig meerwaarde voor de stad. Of er wordt geclusterd, maar dan is er onvoldoende aandacht voor de inrichting van een levendige plint.” Soeters verwijst naar de kwaliteiten van een stad als New York. “De bezoekers van de stad worden omringd door een veelheid aan heel hoge gebouwen, maar op straat voelt het doorgaans prettig. Dat komt doordat in de plint, feitelijk op de eerste zes verdiepingen, een levendige omgeving wordt gecreëerd. De rest van die hoge bebouwing blijft buiten het zicht, maar aan de Amsterdamse Zuidas of op allerlei plekken in Rotterdam valt niks te beleven.”
Jan Klerks, directeur van de stichting Hoogbouw, is het deels met Soeters eens. Maar windoverlast kan volgens hem heel goed worden getackeld. “Het tegengaan van nare windeffecten is toch vooral een ontwerpopgave. Daarover is bijvoorbeeld bij TNO veel kennis voorhanden. Met het juiste ontwerp kan een architect overlast heel goed voorkomen.”
Wel deelt hij de zorgen over het ontbreken van een aantrekkelijke plint. Daarvoor ontstaat ook bij de inmiddels dertig jaar oude stichting Hoogbouw steeds meer aandacht. “In de jaren tachtig discussieerden we over het slechte imago van hoge gebouwen. In de jaren negentig ging het toch vooral om het effect van hoogbouw op het straatbeeld. Ook in steden als Eindhoven, Tilburg of Leeuwarden ontstond behoefte aan hoogbouw. Nu praten we nadrukkelijk over de meerwaarde van hoogbouw voor binnensteden. We hebben daar ook een nieuw woord voor bedacht: cityscrapers.”

Verdichting stad

In de hoogbouwvisie van het vorige college – in het jongste coalitieakkoord komt het woord hoogbouw niet voor - ‘tekent zich in 2040 een silhouet af van een dicht bebouwde metropool Amsterdam, omringd door een open en waterrijk landschap’.
Hoogbouw is een belangrijk middel bij de verdichting van de stad, zo zegt Klerks. “De stad is populair. Jonge stedelingen, gezinnen: iedereen wil een plek in die stad vinden. Zij willen niet met hun auto in een buitenwijk verblijven, maar zoeken levendige verblijfsplekken. Dat is een structureel verschijnsel. Verdichting, inclusief uitbreiding van het aantal echt hoge gebouwen, kan helpen om beter in die vraag naar stedelijk wonen te voorzien.”
Ook voor Klerks telt de levendigheid van een dichtbebouwd gebied zwaar. “Ik heb een aantal jaren in Chicago gewoond. Een stad met veel hoogbouw dicht op elkaar in een heel levendige omgeving. Dat is buitengewoon aantrekkelijk.” Nu woont hij in Calypso in het centrum van Rotterdam. “Het gebouw is niet superhoog, maar het complex functioneert buitengewoon goed. Er is een menging van wonen en werken. De entree van het gebouw is een soort van dorpsplein waar mensen contact met elkaar maken. En op kruipafstand, binnen 100 tot 300 meter, zijn er goede voorzieningen. Een supermarkt, diverse restaurants, een plek om koffie te drinken. Alles voor een aangenaam stedelijk leven bevindt zich in onze nabijheid.”

Levendige plek

Functiemenging binnen een gebouw is volgens Klerks niet per se noodzakelijk. “Tegen de bouw van monofunctionele woontorens bestaat volgens ons geen bezwaar, mits zo’n gebouw maar op de juiste locatie staat. Op een levendige plek. Met goede voorzieningen in de buurt.”
Ontwikkelaar AM en belegger MN tekenen voor de realisatie van een 75-meter hoge woontoren met 147 goeddeels middensegment-huurappartementen achter filmmuseum Eye in Amsterdam-Noord. “Overhoeks wordt met het filmmuseum, de bouw van het 24/7 uitgaanscentrum annex hotel ADAM en de komst van het nieuwe experience center en het congreshotel juist een heel aantrekkelijk verblijfsgebied,” zo meent Ronald Huikeshoven, directeur van AM regio NoordWest.
AM heeft volgens hem heel goed nagedacht over de kwaliteit van deze woontoren. “Ons ontwikkelteam heeft uitvoerig onderzoek gedaan in Rotterdam. Het heeft daar heel goed gekeken naar windeffecten en de sfeer op straat. Architect Paul de Ruiter heeft daar tot onze stellige overtuiging ook veel gevoel voor. Bovendien zorgen we met bijna 600 m2 aan commerciële voorzieningen voor een aantrekkelijke plint. De precieze invulling moet nog gestalte krijgen; twee jaar voor oplevering hebben we uiteraard nog geen huurders. Maar we bieden diverse mogelijkheden. Wellicht komt er horeca of wordt het winkelruimte.”

Kritiek verstomd

In zijn algemeenheid lijken de bezwaren tegen hoogbouw in Amsterdam verstomd. De Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad roert zich niet in de discussie over de komst van nieuwe hoge gebouwen. Vier jaar geleden, bij de formulering van de structuurvisie, heeft de gemeenteraad voldoende beperkingen geaccepteerd. Daardoor wordt volgens de vereniging het aanzien van de historische binnenstad voldoende beschermd. Ook zijn er nauwelijks luchtvaart-technische beperkingen. De aanvliegroutes van luchthaven Schiphol en het nieuwe Luchthavenindelingbesluit zorgen op allerlei plekken in de stad voor een beperking van de bouwhoogte, maar in de praktijk blijkt hoogbouw op locaties als Overhoeks, nabij het Amstelstation of aan de Zuidas goed inpasbaar.
Soeters maakt zich zorgen over de toekomstige ontwikkeling van de Noordelijke IJ-oever. “De neiging zal ontstaan om niet alleen Overhoeks, maar de hele IJ-oever dicht te zetten met hoge gebouwen. Dat pakt heel slecht uit voor de beleving van het IJ. Door buitendijkse inpoldering is het water al tamelijk smal geworden. Hoge gevelwanden zullen de beleving van het ooit zo brede IJ nog verder reduceren.” Hij ziet het liefst een beperkt aantal echt omvangrijke gebouwen. “Plaats een aantal stevige gebouwen als ‘rotsblokken’ op de oever. Zoals dat aan de overzijde met het Muziekgebouw aan het IJ en het Y-Dock ook is gedaan. En kies daarnaast voor de aanleg van baaien; waterrijke inhammen met een minder dichte bebouwing.”