De afgelopen jaren uitte de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zorgen over de lokale verankering van woningcorporaties, mede door de groeiende schaalgrootte van organisaties als gevolg van fusies. Onderzoeksbureau RIGO onderzocht dit vraagstuk in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Aedes en de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) . Uit het rapport Weten wat er speelt, doen wat nodig is blijkt dat er geen direct verband bestaat tussen de omvang van een corporatie en haar lokale binding. Wel blijft de positie van huurdersorganisaties een belangrijk aandachtspunt. Minister Boekholt-O'Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) informeerde de Tweede Kamer over het onderzoeksrapport.
Sinds de invoering van de Woningwet in 2015 zijn meerdere woningcorporaties gefuseerd, vaak vanuit de behoefte om financiële middelen efficiënter in te zetten. Tegelijkertijd zijn de regels aangescherpt en is de volkshuisvestelijke opgave alleen maar groter geworden. Een stevige en goed georganiseerde organisatie is daarbij van belang, evenals een goede samenwerking met maatschappelijke partners.
Voor het onderzoek hield RIGO een enquête onder 1.000 corporatiehuurders, analyseerde het visitatierapporten over maatschappelijke verankering en voerde het diepte-interviews met corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties door het hele land. In de Metropoolregio Amsterdam (MRA) werden onder meer Stadgenoot (Amsterdam) en GoedeStede (Almere) onderzocht.
Gebiedsvisies dragen bij aan lokale verankering
Hoewel het onderzoek geen eenduidig of direct verband laat zien tussen de schaalgrootte van woningcorporaties en hun lokale verankering, blijkt wel dat grotere corporaties en corporaties die in meerdere gemeenten actief zijn extra aandacht moeten besteden aan dit thema. Zij moeten hun organisatie zodanig inrichten dat zij goed zicht houden op wat er lokaal speelt.
Volgens RIGO spelen regiokantoren en gebiedsteams daarbij een belangrijke rol, mits zij voldoende mandaat hebben en binnen de bestaande beleidskaders ruimte krijgen om lokaal maatwerk te leveren. Ook het ontwikkelen van gebiedsvisies draagt volgens de onderzoekers sterk bij aan een goede lokale verankering. Daarnaast helpt het wanneer een corporatie een substantieel deel van de woningvoorraad in een gemeente bezit.
Kwetsbare positie huurdersorganisaties
Huurdersorganisaties zijn nog altijd een volwaardige gesprekspartner voor woningcorporaties en spelen ook een belangrijke rol in het overleg met gemeenten. Toch staat hun positie onder druk, blijkt uit het onderzoek van RIGO. De onderzoekers signaleren drie belangrijke kwetsbaarheden. Zo is de representativiteit vaak beperkt, omdat besturen voornamelijk uit senioren bestaan en het contact met de achterban lastig is. Daarnaast leunen veel huurdersorganisaties op een klein aantal vrijwilligers, waardoor continuïteit en deskundigheid onder druk komen te staan. In sommige gevallen dreigt zelfs opheffing door een gebrek aan nieuwe bestuursleden. Tot slot waarschuwt RIGO voor een te nauwe band tussen huurdersorganisaties en woningcorporaties, waardoor de onafhankelijke en kritische rol van huurdersvertegenwoordigers kan vervagen. Ondanks deze aandachtspunten worden huurdersorganisaties over het algemeen nog steeds als volwaardige overlegpartner gezien. Volgens RIGO houden de kwetsbaarheden bovendien geen verband met de omvang van de woningcorporatie.
Op basis van de onderzoeksresultaten roept Aedes woningcorporaties op om huurdersparticipatie verder te versterken. De eerder dit jaar gepresenteerde Inspiratiegids Participatievormen kan corporaties daarbij ondersteunen. (DB)