Overslaan en naar de inhoud gaan
Top
Amsterdam werkt aan eigen warmtebedrijf, maar wacht op geld

Amsterdam wil met een eigen publiek warmtebedrijf de warmtetransitie in de stad versnellen en warmte betaalbaar houden. De gemeente werkt daarvoor samen met Alliander Warmte en de Nationale Deelneming Warmte (NDW), een dochter van Energie Beheer Nederland. Maar er moeten nog financiële en juridische knopen worden doorgehakt.

Tekst - auteur(s)
Joost Zonneveld

“Als je die warmtetransitie echt wil maken en je wil hem echt betaalbaar maken, dan ontkom je er eigenlijk niet aan om publieke warmtebedrijven te hebben”, zegt Lian Heinhuis. Zij is sinds deze zomer wethouder in Amsterdam met onder meer energietransitie in haar portefeuille.
Volgens Heinhuis is het waarborgen van betaalbaarheid voor bewoners een van de belangrijkste aandachtspunten. De samenwerking met woningcorporaties en warmtebedrijven om bewoners op warmte aan te sluiten kwam met name vanwege onzekerheid over de tarieven, onvoldoende van de grond. “Het grootste probleem was de betaalbaarheid voor de bewoners die niet gegarandeerd kon worden.”
Amsterdam kiest daarom nadrukkelijk voor publieke zeggenschap. Die ontwikkeling staat niet op zichzelf. De nieuwe Wet collectieve warmte schrijft voor dat warmtebedrijven voor meer dan de helft in publieke handen moeten zijn. Die wet gaat naar verwachting op 1 januari 2027 in.

Image
Lian Heinhuis, Amsterdams wethouder onder meer verantwoordelijk voor duurzaamheid en energietransitie.

Amsterdam, Alliander Warmte en NDW hebben in april een ontwikkelovereenkomst gesloten. Daarin zijn onder meer afspraken gemaakt over de governance en het aandeelhouderschap. De drie partijen krijgen ieder een belang van ongeveer een derde en besluiten gezamenlijk. De overeenkomst vormt de basis voor de verdere uitwerking van een ondernemingsplan, financiering en investeringsbesluiten. De beoogde oprichting staat gepland voor eind 2026.
Daarmee is de komst van het warmtebedrijf echter nog niet definitief. “We zitten nog niet op een point of no return van: het gaat op deze manier gebeuren”, zegt Heinhuis. Vooral de financiering is onzeker.

“We zitten nog niet op een point of no return van: het gaat op deze manier gebeuren”

De omvang van de opgave is aanzienlijk. Het Amsterdamse warmtebedrijf moet uiteindelijk verantwoordelijk kunnen worden voor de ontwikkeling en het beheer van meer dan 400.000 aansluitingen. Dat is een investering van naar schatting 9 miljard euro voor de langere termijn.
“Amsterdam kan dit niet alleen betalen, zo simpel is het”, zegt Heinhuis. “Uiteindelijk heb je veel geld nodig om dit te ontwikkelen.” Volgens haar ligt daar overigens niet alleen een Amsterdamse verantwoordelijkheid. “Het is een landelijke, gezamenlijke opgave. Er moet gewoon geld vanuit het Rijk bij.”

Publiek is niet gratis

Het publieke model moet volgens Heinhuis niet alleen zekerheid bieden over betaalbaarheid, maar ook duidelijkheid bieden over leveringszekerheid. Dat is ook de gedachte achter de nieuwe landelijke wetgeving. De overheid wil gemeenten meer zeggenschap geven over waar collectieve warmte wordt toegepast en tegelijkertijd consumenten beter beschermen. 
Juist die tariefsystematiek is volgens Heinhuis cruciaal. “Als je dat koppelt aan de gasprijs, dan maak je warmte dus net zo volatiel als gas. En dan heb je er dus eigenlijk helemaal geen voordeel van.” Het Rijk moet daarom niet alleen geld beschikbaar stellen, maar ook zorgen voor de juiste spelregels, vindt zij.

“Het is een landelijke, gezamenlijke opgave. Er moet gewoon geld vanuit het Rijk bij”

Dat financiële probleem wordt inmiddels ook landelijk onderkend. Het Rijk heeft binnen het Klimaatfonds 224 miljoen euro gereserveerd voor de Nationale Deelneming Warmte en daarnaast 174,5 miljoen euro voor een risicoregeling, bedoeld om de financiële stabiliteit van warmtebedrijven te waarborgen. Daarmee moet de publieke realisatiekracht worden versterkt.

Drie publieke partijen

De keuze voor drie aandeelhouders is niet toevallig. De gemeente brengt vooral lokale kennis en publieke belangen in. “Wij kennen de maatschappelijke opgave en hebben de lokale netwerken”, zegt Heinhuis. Ook de koppeling met gebiedsontwikkeling is belangrijk. Warmtenetten moeten immers worden aangelegd in een bestaande stad waar tegelijkertijd wegen, woningen en andere infrastructuur worden ontwikkeld. 
Alliander Warmte brengt naast uitvoeringskracht, ook kennis van een integraal energiesysteem in, zegt Heinhuis. NDW moet vooral financiële slagkracht en ervaring met publieke investeringen leveren. En EBN is sinds maart 2026 door het Rijk aangewezen als Nationale Deelneming Warmte en kan als publieke investeerder participeren in regionale warmtebedrijven.
Het model sluit daarmee aan bij een bredere ontwikkeling. Ook in andere regio’s worden publieke warmtebedrijven voorbereid, bijvoorbeeld in de Leidse regio, waar gemeenten, Alliander en NDW in maart 2026 afspraken hebben gemaakt over een gezamenlijk warmtebedrijf.

Niet iedere buurt is hetzelfde

Een belangrijk voordeel van publieke uitvoering is volgens Heinhuis dat ook de delen van de stad waar aansluiting op het warmtenet minder makkelijk te realiseren is, zoals de binnenstad, kunnen worden aangesloten. Commerciële partijen zullen volgens haar eerder kijken naar de gebieden waar een warmtenet financieel het aantrekkelijkst is. “Dat is een belangrijke reden waarom dit model nodig is. Het is een nutsvoorziening die in publieke handen moet zijn om iedereen in de stad te bedienen.”
Daarbij wil Amsterdam ruimte houden voor initiatieven die vanuit buurten zelf ontstaan. De gemeente onderzoekt momenteel welke gebieden geschikt zijn als startportfolio voor het nieuwe warmtebedrijf. Bestaande lokale initiatieven worden daarbij meegenomen. “We moeten voorkomen dat we elkaar gaan tegenwerken, de opgave is al groot genoeg.”
 


Hoewel een publiek warmtebedrijf wordt voorbereid, is nog veel onduidelijk, erkent Heinhuis. “De aanleg van het netwerk in buurten die nu nog niet op het warmtenet zijn aangesloten en het in publieke handen krijgen van de bestaande warmtenetten maken het project ingewikkeld. Bovendien weten we nu nog niet of en in welke mate we van welke duurzame bronnen gebruik kunnen maken. Geothermie, aquathermie en restwarmte kunnen allemaal een rol spelen.” In Amsterdam worden kansen voor geothermie onderzocht. “Dat is heel interessant, maar om die warmte te oogsten, heb je boven de grond installaties met ruimtebeslag van een voetbalveld groot nodig. En juist de ruimte in de stad schaars.”
Voor Heinhuis is de richting wel helder. “Volgens mij is het eindpunt best duidelijk: dat we toe moeten naar een situatie waarin we niet meer afhankelijk zijn van fossiele energie.”
Daarvoor is volgens haar niet alleen geld en techniek nodig, maar ook langdurig politiek commitment. “Als je dit soort hele grote investeringen voor een publiek warmtebedrijf gaat doen, dan is het wel nodig dat er commitment is op alle lagen van bestuur en voor langere tijd. Alleen krijgen we dit enorme project niet voor elkaar.”