Inwonertal hoofdstad blijft groeien ondanks bouwcrisis
Is de spons onverzadigbaar?

De sociale huursector zit verstopt en de woningproductie draait op halve kracht. Toch blijft het inwonertal van Amsterdam in snel tempo toenemen. Waar blijven al die mensen?

Groei Metropoolregio
De ‘Metropoolregio Amsterdam’ strekt zich globaal uit van IJmuiden tot Lelystad en van Purmerend tot Haarlemmermeer. De bevolking groeide van 2008 tot 2012 met 87.000 inwoners. De groei was hiermee bijna twee keer zo groot als gemiddeld in  Nederland (3,9% tegenover 2%). Volgens de bevolkingsprognoses blijft de Metropoolregio de komende jaren sterk groeien. Voor 2030 wordt een inwonertal van 2,6 miljoen voorspeld.

De doorgaande groei van de Metropoolregio en de Amsterdamse bevolking in het bijzonder blijft demografen verbazen. Onderzoeker Julian Jansen van de Amsterdamse Dienst Ruimtelijke Ordening kwam als eerste met de metafoor van de stad als spons. Met dat beeld duidde hij het fenomeen dat het aantal inwoners van de hoofdstad veel sneller toeneemt dan het aantal woningen. Maar ook hij verwachtte dat de bevolkingsgroei vanwege de aanhoudende crisis op de woningmarkt ergens in 2012 wel zou afvlakken.

Niet dus. In 2012 nam de bevolking met bijna 9400 toe, nauwelijks minder dan in 2011. De bevolkingsaanwas gaat gewoon door. Een wonderspons.

 

De bevolking van Amsterdam blijft groeien (grafiek)

 

Vooral jongvolwassenen (20-35) komen naar de stad (Grafiek)

 

Aantal inwoners groeit sneller dan aantal woningen, dus de bezettingsgraad neemt toe (Grafiek)

 

Dat Amsterdam groeit, is niet vanzelfsprekend. Van 1960 tot 1985 nam de bevolking met bijna 200.000 af tot 675.000 inwoners. Op het hoogtepunt van de suburbanisatie verlieten per saldo 20.000 Amsterdammers per jaar de stad. 

Begin jaren tachtig keerde het tij. Het overloopbeleid werd ingewisseld voor de ‘compacte stad’. Onder leiding van Jan Schaefer kwamen de stadsvernieuwing en de woningproductie op gang. Eerst nog uitsluitend in de sociale sector, maar vanaf medio jaren negentig ook en steeds meer in de koopsector. Die verschuiving had zowel te maken met de afnemende budgetten voor volkshuisvesting, als met een herwaardering voor stedelijk wonen: ook hogere inkomens zagen het weer zitten in de stad. 

Dat het inwonertal groeit, komt overigens in de eerste plaats door natuurlijke aanwas: vanaf 1985 worden er meer Amsterdammers geboren dan er sterven. Het zogeheten ‘geboorteoverschot’ ligt sinds 2009 boven de 5000, niet zozeer vanwege een nieuwe babyboom maar doordat er minder Amsterdammers sterven. Ook de levensverwachting van Amsterdammers groeit.

In 2012 schreven 53.724 mensen zich in Amsterdam in, van wie 40 procent uit het buitenland; omgekeerd verlieten 49.749 Amsterdammers de stad.

De meeste mensen die naar Amsterdam komen zijn jong, maar ook veel jongvolwassen van 25-35 jaar komen naar Amsterdam. Daar zitten veel hoogopgeleiden bij. Het grootste deel van de buitenlandse immigranten komt tegenwoordig uit EU-landen, voor een aanzienlijk deel uit West-Europa.

Verkamering

Ondanks de crisis op de nieuwbouwmarkt en de stagnatie in de sociale sector, zit de stad dus allerminst op slot. De grote vraag: waar blijven al die mensen? 

Er zit kennelijk nog reservecapaciteit in de stad. Die wordt benut door in te schikken (woningdelen, gezinsvorming) en gebruik te maken van tijdelijke verhuurcontracten (leegstandsbeheer, in het kader van Leegstandswet). Sociale netwerken en sociale media - het via-via-circuit - spelen een grote rol bij het vinden van woonruimte.

De woningbezetting stijgt daardoor alweer een aantal jaren, na decennia van verdunning. Gezinnen blijven ook met één of zelfs twee kinderen op die kleine etagewoning zitten en studenten en jongvolwassenen delen steeds vaker een woning.

Het woningdelen groeit in Amsterdam in navolging van andere wereldsteden in omvang. Uit een studie van Marijn Sleurink (DRO) blijkt dat het delen van een woning heel normaal is onder studenten, en trouwens ook niet-studerende jongvolwassenen. Tot welke excessen dit kan leiden, blijkt als de Dienst Wonen Zorg en Samenleven weer eens forse boetes uitdeelt voor illegale kamerverhuur: 450 euro voor een kamer van 5 m2

Speciale studentenhuisvesting en jongerenwoningen voorzien voor een deel in de grote vraag, maar verdere ‘verkamering’ van een deel van de particuliere woningvoorraad lijkt onvermijdelijk. Het is commercieel interessant én beantwoordt aan een behoefte. Aan wethouder Ossel de boeiende taak een middenweg te vinden in het bestrijden van overbewoning en matrassenverhuur én meer ruimte te scheppen voor andere woonvormen dan het klassieke huishouden (zie het artikel Woningdelen op pag. 10).  

Want de markt raakt wel steeds meer verhit. Volgens een ANP-onderzoekje naar het online-aanbod van particuliere kamers is de gemiddelde kamerprijs in Amsterdam al gestegen naar bijna 500 euro, bij een gemiddelde kamergrootte van 15 m2. Nu zal dat niet helemaal representatief zijn - voor goedkopere kamers hoef je niet te adverteren - maar toch.

Volgens Sleurink liggen momenteel de grootste problemen op de woningmarkt bij de jongvolwassenen (20-35). Dan hebben we het precies over de groep die verantwoordelijk is voor het gros van de verhuizingen in de stad.

Van de sociale sector moeten zij het niet (meer) hebben vanwege de wachttijden. De gemiddelde inschrijfduur in de Stadsregio is toegenomen tot 8,3 jaar en in het stedelijk gebied waar deze jongeren willen wonen nog veel langer. Bovendien zit je samenwonend al snel bij de tegenwoordige inkomensgrens voor een sociale huurwoning. En kopen is zowel minder aantrekkelijk als bereikbaar geworden voor starters op de arbeidsmarkt. Vaste arbeidscontracten zijn eerder uitzondering dan regel. 

De spons is dan wellicht onverzadigbaar, veel jongvolwassenen, constateert Sleurink, zitten vast in een onwenselijke woonsituatie. Als voorbeeld noemt zij de 29-jarige Ellen. Die is de afgelopen drie jaar twintig keer verhuisd. Het is haar tot op heden niet gelukt een permanente woning te vinden.