Overslaan en naar de inhoud gaan
Top
Monumentenzorg als avant-garde

Esther Agricola
Esther Agricola is sinds dit jaar directeur van het Amsterdamse Bureau Monumenten & Archeologie.
Daarvoor was zij directeur van KEI, Kenniscentrum stedelijke vernieuwing

Wie zich bezighoudt met erfgoed, beweegt zich op hachelijk terrein. Althans in Nederland. We zijn het land van modernisten en pragmatische functionalisten en tegelijk het land van de zuinige kooplieden. We willen vooruit, innoveren, de voorhoede zijn, terwijl het allemaal niet te veel mag kosten.

Maar we verlangen ook naar historisch bewustzijn, tradities, continuïteit.

Deze twee pijlers van onze cultuur, ontwikkeling én behoud, staan sinds mensenheugenis op gespannen voet met elkaar. Een natuurlijke omgang met geschiedenis is in ons land geen vanzelfsprekendheid. Die moet nog altijd bevochten worden. Geen wonder dat de monumentenzorg snel als defensief of conservatief wordt betiteld. Alsof we per definitie tegen sloop zouden zijn. Een stigma waar onze ‘sector’ maar moeilijk vanaf lijkt te komen.

Toch, als je kijkt naar wat de monumentenzorg in Amsterdam afgelopen vijftig jaar heeft bereikt, dan is dat eerder als offensief te bestempelen dan als defensief.

Zonder de liefde van veel burgers, bedrijven en instellingen die monumenten naar juiste waarde weten schatten, had de stad er heel anders bijgelegen. En zouden we de gebouwen moeten missen die we nu vrijwel zonder uitzondering koesteren, waar trouwens óók geld mee verdiend wordt, en waar we ons sterk mee identificeren etc

De geschiedenis bewijst keer op keer dat het behouden van gebouwen vrijwel nooit tot spijtbetuigingen leidt (integendeel zelfs). Daarom is het gek dat we toch keer op keer zonder gêne de meest rigide sloop- of transformatievoorstellen doen.

Het is al even gek dat we massaal opgelucht en blij zijn dat destijds de Jordaan en de Pijp niet verdwenen zijn, maar dat we met hetzelfde gemak vergelijkbare delen van de stad blijven slopen. Wie zegt ons dat deze wijken een uitzondering op de regel zullen zijn; wie zegt ons dat we daar geen spijt van zullen krijgen?

Monumentenzorg kijkt niet terug, maar juist vooruit. Doordat we zoveel historische kennis van de stad hebben en weten dat het waarderingsproces van architectuur en stedenbouw dynamisch is, zijn we in staat ons niet te laten verleiden door de waan van de dag en juist steeds vooruit te kijken, naar de toekomst.

We zijn dan ook volop bezig met de monumenten van morgen, het erfgoed van de volgende generaties.

In Amsterdam ligt dit nieuwe erfgoed met name in de naoorlogse gebieden, dat zal duidelijk zijn.

Gebieden die een bijzondere periode uit de Nederlandse geschiedenis verbeelden.

Een ongekende periode waarin corporaties nauw gelieerd aan de overheid als opdrachtgever fungeerden voor de meest spectaculaire projecten op het gebied van innovatie in de sociale woningbouw, architectonische vormgeving en stedenbouwkundige ensembles.

Het voltrok zich op grote schaal en had een immense maatschappelijke, economische en culturele betekenis. Dat maakt het niet zo moeilijk te bedenken dat deze naoorlogse ‘stadsbouwkunst’ steeds meer monumentale waarde zal krijgen, zo ze deze nu al niet heeft. Het is gewoon een kwestie van tijd. De geschiedenis van andere stadswijken bewijst dit, waarom zou het naoorlogse dan een uitzondering zijn?

Het feit dat monumentenzorg op deze toekomstige waarde nu reeds hamert en zich ogenschijnlijk als een luis in de pels - tot vervelens toe - gedraagt, roept wat mij betreft niet de associatie op met reactionair gedrag, maar juist met avant-gardistisch elan; met een vooruitziendheid die dikwijls pas achteraf brede erkenning krijgt.

Beschouw ons als een voorhoede die pioniert, die zich op het scherpst van de snede beweegt, die op zoek is naar dat delicate evenwicht tussen behoud en vernieuwing, politiek incorrecte beweringen durft te doen, die tegendraads is.

Als ik het voor het zeggen had, zou ik willen dat monumentenzorg erkenning krijgt voor zijn voorhoedepositie in het denken over en ontwikkelen van de kwaliteit van de stad Amsterdam en niet als een hindermacht.