Domweg gelukkig

Domweg gelukkig

... aan de Amsteldijk. Hoewel. Meestal is het moeder die er het eerst over begint. Was zij ooit volmaakt gelukkig op de bovenetage met balkon, nu er een paar koters zijn, wil zij ineens verhuizen naar een huis met een tuintje. De kinderen moeten toch kunnen rennen, ravotten, hutten bouwen, kikkers vangen, vindt zij. En met de overwaarde van het huis behoort een leuk villaatje buiten de stad ineens tot de mogelijkheden.
Nooit gedacht, maar zo ging het ook bij ons. We wonen in een riant bovenhuis aan de Amsteldijk in de Pijp. Niets mis mee. We hebben een schitterend uitzicht over de Amstel. Maar die verkeersader voor de deur is toch wel een doorn in het oog. De natuurkennis van mijn driejarige dochter gaat niet veel verder dan het woord “hondenpoep”, wanneer we ons heil in het dichtstbijzijnde parkje zoeken.
En er zijn meer stadse ergernisjes die mij de laatste maanden geregeld naar makelaarswebsite Funda hebben doen surfen. Zo weigerde de gemeentelijke Commissie van Welstand, die het monumentale karakter van de stad moet waarborgen, ons onlangs een bouwvergunning voor een extra babykamertje op ons dak. De geplande dakkamer - die je vanaf de straat niet eens had kunnen zien - zou het ‘daklandschap’ ernstig aantasten, oordeelde de commissie. Dat ons huis wordt omringd door bouwkundige gedrochten uit de jaren zeventig en daken met gammele dakterrassen, deed niets af aan die onwrikbare beslissing. En aan eerdere goedkeuringen door de commissie voor veel drastischer verbouwingen – de ramen in ons monumentale torentje, de glazen wand in de voorgevel - konden we geen enkel recht ontlenen.
Ook een ander staaltje van gemeentelijke bevoogding hebben mijn dagdromen over een stolpje buiten Amsterdam aangewakkerd . Toen ik mijn dochter wilde inschrijven op de ‘witte’ Montessorischool aan de overkant van de Amstel pal tegenover ons huis, kreeg ik te horen dat ze daar niet welkom was vanwege het gemeentelijke postcodebeleid: de school behoort tot stadsdeel Oost/Watergraafsmeer. Wij hebben slechts de keuze tussen een ‘grijze’ school – met veertig tot zeventig procent allochtone achterstandsleerlingen -, of de geheel ‘zwarte’ scholen om de hoek. Moeders aan het schoolhek spreken er nauwelijks een woord Nederlands en Dikkie Dik is er verkrijgbaar in het Turks. Niet bepaald stimulerende omgevingen voor de intellectuele ontwikkeling van onze dochter, vind ik. Maar wat heb je te willen in een stad waar inmiddels de helft (49 procent) van alle basisschoolleerlingen in de categorie ‘allochtone achterstandsleerling’ valt en tweederde van de schoolgaande jeugd allochtoon is? Verhuizen lijkt de enige optie.
Amsterdam is in verval. Dat valt me op nu ik met mijn pasgeboren zoon over straat loop. Elke auto lijkt te hard te rijden, elke vuilnisbak overvol, elke voorbijganger een schizofreen met babyhaat. Op het zebrapad worden we geschept door assertieve fietsers. En in de tram staat niemand voor ons op, behalve dan de alcoholist die mijn zuigeling zonodig moet aanraken met zijn rouwgerande nagels. Als jonge moeder in Amsterdam voel je je een leeuwin-met-welp in de jungle.
Vooral de Van Woustraat, waar wij onze dagelijkse boodschappen doen, raakt steeds meer verloederd. Het wemelt er hangjongeren, daklozen, junks en criminelen. In de voormalige winkelpanden zetelen obscure reisbureautjes, telefoneerkantoortjes, coffeeshops, en tijdelijke outletshops. Onze videotheek is het afgelopen jaar twee keer gewapend overvallen. En het houten speeltoestel, waar mijn dochter graag vanaf glijdt, is onlangs afgebrand.
Het oversteken van deze poel des verderfs met boodschappentassen en twee kinderen onder de arm vereist heel wat lichamelijke souplesse. Voor je het weet word je gesandwicht tussen een tram en een corrupte taxi.
Maar de stad verlaten? Laatst zijn we eens gaan kijken naar droomhuizen in Heemstede en Jisp. Waar de buren je tot vervelens toe groeten, waar de aardappelen nog stipt om zes uur op tafel staan. Waar geen buitenlander te bekennen is, behalve de plaatselijke Chinees die bami met boerenkoolsmaak serveert. Het is er kindvriendelijk en er gebeurt helemaal nooit wat. Reistijd in de spits: anderhalf uur.
Geef mij dan toch maar Amsterdam.

Domweg gelukkig

... aan de Amsteldijk. Hoewel. Meestal is het moeder die er het eerst over begint. Was zij ooit volmaakt gelukkig op de bovenetage met balkon, nu er een paar koters zijn, wil zij ineens verhuizen naar een huis met een tuintje. De kinderen moeten toch kunnen rennen, ravotten, hutten bouwen, kikkers vangen, vindt zij. En met de overwaarde van het huis behoort een leuk villaatje buiten de stad ineens tot de mogelijkheden." data-share-imageurl="">