Overslaan en naar de inhoud gaan
Top
Eerste verdieping
"Er is een zeker ongenoegen over wat we de afgelopen jaren hebben gedaan"
Bouw eens wat anders
Sterk op elkaar gelijkende bouwblokken lijken het nieuwe Amsterdam te domineren. Waarom bouwen we niet vaker eens wat anders? Architect Felix Claus, architect/ stedenbouwkundige Tjeerd Dijksta en ontwikkelaar Fer Felder over de rijkdom aan bouwvormen, de schoonheid van baksteen en het grote gevaar van gezochte oplossingen. Een gevarieerder beeld laat zich niet bedenken.

“Voor een oppervlakkige beschouwer zal het zo zijn dat alle nieuwbouw in Amsterdam sterk op elkaar lijkt,” zo meent architect prof. ir. Felix Claus (Claus en Kaan Architecten Amsterdam). “Van dichterbij bekeken zijn er wel degelijk verschillen; maar hoe belangrijk zijn die verschillen? Eigenlijk is er niets bijzonders aan de hand. In elke periode zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen. Dat geldt voor muziek, film en dus ook voor architectuur.”
Hij verwijst naar de stadsvernieuwing uit de jaren tachtig. De bouwblokken uit die tijd vertonen in kleur en materiaalgebruik sterke overeenkomsten. Woningen zoals in de Czaar Peterstraat zijn op vele plekken in het land te vinden. En in de Amsterdamse woonstraten van de jaren negentig, zoals op de schiereilanden Borneo en Sporenburg, overheerst donker baksteen. Voorschrift van de stedenbouwkundige. “Pas na hevig verzet, kregen we van Adriaan Geuze toestemming voor het gebruik van slechts drie verschillende stenen. Hij had daar ook wel goede redenen voor. In de periode daarvoor was er te veel geëxperimenteerd met materialen.”

Gelijkvormigheid

Het mooiste voorbeeld van gelijkvormigheid is volgens hem de zeventiende-eeuwse grachtengordel. In de oude binnenstad is de gelijkvormigheid sterker dan in welke nieuwbouwwijk ook. “Met uitzondering van de Gouden Bocht zijn de oorspronkelijke panden eigenlijk allemaal hetzelfde: vergelijkbare programma’s, identieke constructies en een gevel met drie ramen. Een groot deel van die gelijkvormigheid is ook gemakkelijk te verklaren. Alles heeft te maken met de financiële mogelijkheden of de constructie. Het ontbrak veel mensen aan het geld om een kunstenaar in te huren. Alleen kooplieden en de oude adel waren daartoe in staat. En in dat geval ziet zo’n pand er direct heel anders uit. En een breedte van vier tot zes meter is evenmin verwonderlijk. Dat hangt samen met de lengte van de toen voor de constructie noodzakelijke balken.”
En die rust is voor Claus ook helemaal niet verkeerd. “Een stad met veel rood baksteen is helemaal niet erg. Bakstenen blijven mooi. Verouderen prachtig. Er was wel een Duitser voor nodig om ons de baksteen te laten herontdekken. Kolhoff keek naar het Amsterdam van Berlage en ontwierp voor het KNSM-eiland in donker baksteen woongebouw Piraeus Ik heb wel eens met een Spaanse architect een wandeling gemaakt over het Java-eiland. Witte gebouwen passen bij het licht van de Middellandse Zee en bij ons licht past een donkere steen. Daar moeten we ons niet tegen willen verzetten.”

Claus: ‘Op enig moment worden we doodziek van al die bakstenen’
Hij moet er ook niet aan denken als alle architecten zich zouden willen uitleven. “Op elke hoek in Nederland is wel een architect bezig. Geen enkel land heeft zo’n grote architectendichtheid als ons land. Als die allemaal hun best zouden doen geniaal te zijn, dan zou dat een ramp zijn. Als we honderden jaren geleden van de grachtengordel een soort van Kattenbroek (Vinex-wijk nabij Amersfoort) hadden gemaakt, dan was er van onze binnenstad allang niets meer over gebleven. Laten we maar rustig aan doen.”
Claus maakte samen met architect Frits van Dongen en stedenbouwkundige Ton Schaap het stedenbouwkundig plan voor het Haveneiland en de Rieteilanden. Hun ontwerp beperkt zich bewust tot het zorgvuldig en precies vormgeven van de openbare ruimte. Kwaliteit moet ontstaan door de eigenschappen van het programma en door de locatie maximaal zichtbaar te maken. Ofwel een “manifest voor het gewone”.

Ongenoegen

Toch hangt er iets in de lucht in Amsterdam, constateert Fer Felder, directeur van De Principaal en oud-regiodirecteur Noord-Holland van ontwikkelaar AM Wonen. “Er is een zeker ongenoegen over wat we de afgelopen jaren hebben gedaan. Ik merk dat niet zozeer bij onze klanten, maar wel bij de professionals.”
De beleving dat in de nieuwste uitleg de eenvormigheid overheerst, wordt naar zijn idee veroorzaakt door de veelal complexe gebouwen die her en der op IJburg en in de Westelijke Tuinsteden verrijzen. “Ik probeer al langere tijd te ontdekken wat er aan de hand is. Misschien ligt het aan de problemen die we hebben met het lezen van die gebouwen. Veel nieuwe woongebouwen kennen een erg ingewikkeld programma. Grondgebonden woningen worden gecombineerd met appartementen en werkruimtes. Aan de buitenkant zijn die afzonderlijke onderdelen niet als zodanig herkenbaar. Ook De Principaal maakt dergelijke ingewikkelde gebouwen. Neem onze nieuwbouw aan de Geuzenbaan: het is uitgelopen op een demonstratie van wat er allemaal in een relatief klein gebied mogelijk is. Maar daardoor ontstaat bij de toeschouwer grote verwarring. Die onduidelijkheid leidt tot het idee dat al die gebouwen op elkaar lijken, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een grote rijkdom aan vormen.”
Felder pleit daarom voor vereenvoudiging van woningbouwcomplexen. “We moeten weer herkenbare woningen bieden. Een koper moet een zekere leefstijl herkennen en zien waar de overgangen liggen tussen privé en collectieve ruimte. Als we de herkenbaarheid vergroten, dan zullen we de stad ook op een andere manier ervaren.” Al tekent hij daarbij aan dat vereenvoudiging niet moet leiden tot kwaliteitsverlies. Hij doelt op het Steigereiland. Daar ligt de nadruk op snelheid. De Nico Nijmeijerpluim is toegekend aan Smit’s Bouwbedrijf voor de snelle realisatie van een woningbouwprogramma. Naast een eerder gebouwde rij huisjes met een wel erg armetierige uitstraling, zou dat naar zijn idee niet de toekomst van de stad mogen zijn.

Echte stad

Kan een keuze voor echte stedelijkheid de stad gevarieerder maken? Volgens Claus is het helemaal waar dat we nergens in Amsterdam een echte stad maken. “Dat heeft alles te maken met de manier waarop in ons land ruimtelijke ordening gestalte krijgt. Het is net Noord-Korea: alles is gemiddeld. Kijk naar Almere. Daar wonen mensen met een gemiddeld inkomen in een gemiddelde stad in een standaard huis met de standaard auto voor de deur. Jongeren zijn er erg ongelukkig. En dat wordt veroorzaakt doordat het allemaal wordt bedacht. Maar of vervolgens bouwen in extreme dichtheden wenselijk is, dat is maar de vraag.”

Felder: ‘We moeten weer
herkenbare woningen bieden’
Claus ziet het er in elk geval in Amsterdam niet snel van komen. De markt trekt dat volgens hem niet. Ook prof. ir. Tjeerd Dijkstra, voormalig Rijksbouwmeester en lid van de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling, ziet dat niet gebeuren. De woningbouwplannen voor de Zuidas uitgezonderd. Dijkstra heeft in het verleden voor de zuidelijke IJ-oever de rol van supervisor vervuld. “De Oostelijke Handelskade, het Oosterdokseiland en het Westerdokseiland worden voor Amsterdamse begrippen erg dicht bebouwd. En dan al ontstaat in de stad twijfel over de toekomstige kwaliteit.”
Felder daarentegen betreurt het gebrek aan een echte keuze voor stedelijke milieus. “We zouden veel uitgesprokener mogen zijn. Amsterdam leent zich in potentie voor het creëren van echte stedelijkheid. Dat had van mij al gemogen aan de Oostelijke Handelskade. Veel hoger dan we nu doen. Maar neem ook de Omval. Als iemand uit de Verenigde Staten voor het eerst Amsterdam bezoekt, dan denkt hij daar down town te vinden. Werken, wonen en recreëren aan de zonnige rivieroever in een metropolitane sfeer. Het zou prachtig zijn, maar we durven het niet.”
Toch zou er volgens Felder wel degelijk een markt voor zijn. “Daar kun je heel goed appartementen in uitgesproken hoogbouw verkopen. Niet te knullig: zeventig tot honderd meter hoog in mooie slanke torens. Met als het even kan een weids uitzicht op de Amstel, de ringweg en de levendige treinsporen. Daar is zeker belangstelling voor.”
De overheid kan volgens hem helpen een dergelijke ontwikkeling te stimuleren. “Het bouwen van appartementencomplexen is kostbaar. Veel duurder dan de bouw van een rijtjeshuis. Bovendien zijn de lasten voor de bewoner hoog. Maar als de gemeente zou afzien van een hoge grondprijs voor ieder appartement, dan kan een meer gevarieerde stad veel gemakkelijker gestalte krijgen. Ze hoeft ten slotte relatief weinig te investeren in de grond en we geven dat voordeel aan de koper.”

Taal verleden

Dijkstra zou een andere weg willen bewandelen. “Ik wil me niet fixeren op het beeld. Meer variatie bedenk je niet. We kunnen onze wil niet aan de stad opleggen. Waar we dat wel doen, blijkt het recept niet houdbaar. Denk aan het door architect Krier nabij Eindhoven bedachte Brandevoort, waar de taal van het verleden extreem wordt gebruikt om nieuwe dingen te doen. Het onderscheid moet uit zichzelf ontstaan. Dat kan alleen als aan belangrijke stedenbouwkundige voorwaarden wordt voldaan.”
Hij benadrukt het belang van twee polen: enerzijds de cultuurhistorisch bepaalde eigenheid van het gebied waar wordt gebouwd en anderzijds de architectonische taal zoals die zich in een bepaalde tijd ontwikkelt. “In de vorige eeuw wilden we alles uit het verleden wegwissen. Alles werd bedolven onder een laag zand. Zo zijn de Westelijke Tuinsteden gebouwd: heldere woonwijken in een opgespoten polder. Pas bij de aanleg van het Oostelijk Havengebied zijn we daarvan afgestapt. Toen hebben we een belangrijk besluit genomen: handhaving van de bestaande havenbekkens. Door de referenties aan het vroegere gebruik van het overslaggebied te bewaren, de lange kades aan het water, ontstaat een vanzelfsprekende eigenheid.”
Maar terwijl we als reactie op de eenvormigheid van de Vinex-wijken het specifieke karakter van een gebied willen beklemtonen, hebben we volgens Dijkstra als het gaat om de ontwikkeling van de architectonische taal een geweldig probleem. “Er bestaat grote verwarring op gebied van de andere pool. Dat is het gevolg van wat ik zie als taalloosheid. Mijn generatie ervaart een hoogst merkwaardige leegheid. De jeugd vertoont geen revolutionair elan. Er is geen voeding vanuit nieuwe maatschappelijke concepten. Alom overheerst onzekerheid en er is een sterke neiging om vormen uit het verleden platweg te kopiëren.”
Dijkstra zou die leegheid willen doorbreken door de introductie van een andere manier van planvorming. “Twee dingen zijn specifiek voor onze tijd. De emancipatie van het individu en het ontstaan van digitale communicatie. Woningbouw moet daarbij aansluiting vinden en meer maatwerk leveren. Breng als corporatie mensen met overeenkomstige woonwensen bij elkaar, en laat het samen als opdrachtgever functioneren voor een in overleg te kiezen architect. Natuurlijk moet aan randvoorwaarden worden voldaan: hanteer voor de plek een helder stedenbouwkundig grid en stel regels op voor maatvoering en materiaalgebruik. Een supervisor vanuit de overheid kan zorgen voor afstemming en samenhang met de openbare ruimte. Voor de corporatie ligt er dan een nieuwe taak: het inzetten van kennis en deskundigheid om bewonersinitiatieven te faciliteren. Op die manier kan op een ongedwongen manier een nieuwe diversiteit ontstaan. Door de veel grotere betrokkenheid van bewoners zal daarmee een meer bewuste beleving van de eigen woonomgeving en daarmee van de stad als geheel ontstaan.”
En duurder hoeft het ook niet per se te zijn. “Door de technische vooruitgang is het bij steeds meer toeleveranciers de gewoonste zaak bouwelementen op maat te leveren. De grootste verandering moet bij de woningcorporatie gestalte krijgen. Die bepaalt niet meer zelf het gebouw, maar vervult de rol van regisseur.”

Lange ontwikkeltijd

Felder betwijfelt of dan echt andere gebouwen ontstaan. Zeker in een economisch minder gunstige tijd, hebben mensen weinig behoefte aan gewaagde experimenten of bijzondere woonvormen. Bovendien neemt de ontwikkeling van een bouwplan en de uitvoering daarvan heel veel tijd in beslag. Zeven jaar is niks. Het is bijzonder lastig over een lange periode een groep mensen bij elkaar te houden. Aan de andere kant: een regisseursrol is De Principaal niet helemaal vreemd. In de jaren tachtig werd reeds met krakers samengewerkt bij de ontwikkeling van huurwoningen. Vandaag krijgt een groep bewoners op het Steigereiland steun bij het maken van hun Vrijburcht.
En de rol van de architect? Die levert wat wordt gevraagd, zo meent Claus. “Op enig moment zal de roep om meer verschil gehonoreerd worden; op enig moment worden we doodziek van al die bakstenen. En dat zal vooral komen door ander gedrag van de markt. Ontwikkelaars zullen meer gaan denken in marketingconcepten. En dan ontstaat er ruimte voor meer differentiatie.” Hij maakt een vergelijking met het schap in de supermarkt. “Vroeger stond er één soort cola. Nu biedt de winkel wel zes smaken.”
Maar hij waarschuwt voor al te hoge verwachtingen van zijn eigen beroepsgroep. “De architectuur van de komende periode zal beslist minder eenvormig zijn. Maar een architect onderscheidt zich niet van de slager of de timmerman: de schoorsteen moet roken. Die biedt geen tegendruk. Dat bedoel ik overigens niet uit gebrek aan respect. Verder zijn architecten heel slecht opgeleid om na te denken over wat de opgave is. Nederlandse architecten kunnen heel goed naar zichzelf luisteren, maar luisteren heel slecht naar de opdrachtgever. Ze doen vooral hun eigen kunstje.”

Bert Pots