De nieuwe traditie; continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur

11.02.11

Kort na de tweede wereldoorlog werd het modernisme de dominante stroming binnen de Nederlandse architectuur. De vooroorlogse traditie werd eenvoudig als ‘reactionair’ terzijde geschoven. In die sterk ideologisch bepaalde periode gold het uitgangspunt dat slechts één opvatting de juiste kon zijn. Een schuin dak werd in een buurland als Duitsland bijvoorbeeld al snel als opleving van een inmiddels ongewenst verleden gezien. Bij de vooruitgang en wederopbouw kon slechts sprake zijn van platte daken. Tientallen jaren regeerden functionalisme en ingenieursrationaliteit. Maar met die neiging om gebouwen en straten als een verzameling functies te beschouwen ontstond tegelijk esthetische armoede en een gebrek aan beleving. Meer gerealiseerd vloeroppervlak droeg niet automatisch bij aan meer woongenot.

Architectuurhistoricus Hans Ibelings beschrijft in het tweetalige ‘De nieuwe traditie/The new tradition’ waarom gebouwen en omgevingen juist het alledaagse zouden moeten visualiseren en herkenning en beschutting kunnen bieden. Misschien wel juist in een dynamische - maar ook vervreemdende - tijd van internet en globalisering. Dat geldt voor buurten en dorpen, maar ook voor steden. Zonder duidelijke herkenningspunten en een gedeelde lokale geschiedenis kan die vervreemding snel toeslaan. Zeker als autistische (‘moderne’) hoge gebouwen en grootschalige sloop en nieuwbouw het weefsel van de omgeving verstoren.

Maar uit het rijkelijk aangeboden beeldmateriaal valt op te maken dat het teruggrijpen en voortbouwen op eerdere architectonische inzichten, ‘de traditie’ als tegenbeweging, al langere tijd gaande is. Hierbij gaat het dan bij uitstek om geborgenheid en zorgvuldige inpassing in de omgeving. Onconventionaliteit en ‘het gebouw als machine’ zijn leuk voor architectuurtoeristen, niet voor bewoners.

Vincent van Rossum, van Bureau Monumentenzorg, schreef een hoofdstuk over de historische disputen (ruzies) tussen de verschillende groepen architecten, en de daaruit resulterende inzichten. Duidelijk wordt uit deze beschrijving in vogelvlucht de aanmatiging van diverse partijen, zeker de Moderne Beweging.

‘De nieuwe traditie’ is opgebouwd uit korte, goed leesbare teksten, wat voor een boek over architectuur bijzonder is. Verder veel, maar eenzijdig samengesteld, beeldmateriaal. Wat dit boek mist is een paar goede gesprekken met architecten/stedenbouwkundigen die gebruik maken van traditionele inzichten. In hoeverre biedt die vooroorlogse traditie daadwerkelijk aanknopingspunten, bijvoorbeeld voor de verdichting van steden of de zichtbare samenhang binnen VINEX-locaties? Ook een sluitende verklaring voor de langdurige populariteit van het modernisme, en het effect op de architectenopleidingen, ontbreekt. Toch zou je van architecten die zich op de modernistische canon beroepen een reactie willen lezen op die nieuwe traditionele straten en huizen. Naast foto’s van nieuwbouw met een traditioneel karakter zouden bovendien voorbeelden van modernistische nieuwbouw, als illustratie van de verschillen, interessante inzichten kunnen opleveren. 

 

De nieuwe traditie; continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur, Hans Ibelings en Vincent van Rossem, SUN Amsterdam, gebonden, 270 pagina’s, ISBN 978-90-8056-6927, 34,50 euroHet boek is geheel tweetalig (Engels).

 

Kort na de tweede wereldoorlog werd het modernisme de dominante stroming binnen de Nederlandse architectuur. De vooroorlogse traditie werd eenvoudig als ‘reactionair’ terzijde geschoven. In die sterk ideologisch bepaalde periode gold het uitgangspunt dat slechts één opvatting de juiste kon zijn. Een schuin dak werd in een buurland als Duitsland bijvoorbeeld al snel als opleving van een inmiddels ongewenst verleden gezien. Bij de vooruitgang en wederopbouw kon slechts sprake zijn van platte daken." data-share-imageurl="">