Een kruiwagen vol kikkers

100 jaar AFWC
Een kruiwagen vol kikkers

De Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) bestaat deze maand honderd jaar. Een van de onderdelen van de jubileumviering is digitale publicatie over honderd jaar Federatiegeschiedenis: In eenheid zit kracht. Een korte samenvatting.

De eerste woningwetwoningen aan de Van Beuningenstraat in 1909

In 1903 richten gemeentewerklieden de coöperatieve vereniging Rochdale op. Die levert in 1909 de eerste woningwetwoningen aan de Van Beuningenstraat op, voorzien van aparte slaapvertrekken en een eigen ‘privaat.’

 

Meer aardige details en wetenswaardigheden over de samenwerking van de Amsterdamse
woningcorporaties binnen hun Federatie zijn te lezen in de digitale publicatie ‘In eenheid zit kracht’.
Te downloaden via www.afwc.nl/100jaar.

Al honderd jaar lang bundelen de Amsterdamse woningcorporaties hun krachten om de stad te voorzien van goede en betaalbare woningen. Die samenwerking verliep op de meeste momenten hartelijk en soepel, maar er waren perioden van grote onderlinge verdeeldheid. Zo konden de corporaties het in de jaren zeventig bij de bouw van de Bijlmermeer niet eens worden over een coördinerende rol voor de drie grootste woningbouwverenigingen. Vanaf de jaren vijftig had dit drietal volgens het beroemde, door de Federatie opgestelde ‘OPA-model’ de meeste nieuwe woningen mogen bouwen. Maar tegen die hoofdrol kwam van de andere leden steeds meer verzet.
Een terugkerende discussie onder de corporaties was ook de wens van de Federatie om de nieuwbouwinspanningen te bundelen en zo efficiënter te kunnen bouwen. Maar veel leden waren bang voor het verlies van hun identiteit. Het lukte daarom aanvankelijk ook niet om het beheer en de exploitatie van de nieuwbouwwoningen in de Bijlmermeer in een centrale stichting onder te brengen. Pas nadat leegstand en verloedering er een hoge vlucht hadden genomen, bundelden de corporaties alsnog hun bezit in één organisatie: Nieuw Amsterdam.

Brutering

100 jaar AFWCHet misschien wel spannendste moment voor de Federatie brak aan in de jaren negentig met de verzelfstandiging van de woningcorporaties.
Binnen het bestuur was er grote onenigheid over de toekomstige koers en rol van de organisatie. De traditionele volkshuisvesters wilden vasthouden aan het onderling verdelen van de nieuwbouwopgave. De marktdenkers wilden juist zoveel mogelijk profiteren van de nieuwe vrijheid die ze dankzij de bruteringsoperatie hadden verworven. Het lukte de Federatie uiteindelijk nog wel om gezamenlijke afspraken te maken over de nieuwbouw in de zogenaamde A- en B-wijken. Daar kreeg één corporatie per blok het primaat op aankoop, renovatie en nieuwbouw. Maar de rest van de stad werd vrij ‘jachtgebied’, tot afgrijzen van de meer behoudende leden van de vereniging.
Toch was zelfs in deze roerige periode de behoefte om samen op te trekken in de onderhandelingen met de gemeente groter dan de wens om op eigen houtje afspraken te maken. Dat leidde vanaf 1994 tot een reeks van gezamenlijke beleids- en samenwerkingsovereenkomsten, waarmee Amsterdam binnen Nederland voorop liep. Pas veel later werden ook in andere steden dit soort prestatie-afspraken gemaakt. Sinds kort zijn ze op grond van de nieuwe Woningwet zelfs verplicht gesteld.

Trefwoorden: