Interview met wethouder Freek Ossel

Interview met wethouder Freek Ossel
Wonen: veel regels, veel emoties

Vanaf deze collegeperiode gaat wethouder Freek Ossel over de portefeuille Wonen en Wijken. Koud in functie ervoer hij door de ‘Pied à terre-affaire’ dat het beleid in deze sector snel emoties oproept. Volgens De Telegraaf werden “hoogleraren, architecten en topmannen uit het bedrijfsleven de stad uitgejaagd” door de gemeentelijke beperkingen voor tweedewoningbezit. Ossel versoepelde de regels. Dit jaar houdt hij nog veel meer regels en ingesleten praktijken tegen het licht. Daarvoor is ook een financiële noodzaak. Er moet flink worden bezuinigd.

Wie is Freek Ossel?
Wethouder Freek Ossel nam in de vorige collegeperiode tussentijds de portefeuilles Wijkaanpak en Koers Nieuw-West over van de terugtredende Tjeerd Herrema. In het huidige college beheert Ossel de portefeuilles Wonen en Wijken, Armoede, Openbare Ruimte en Groen, Programma Maatschappelijke Investeringen (PMI), Koers Nieuw-West,  Zeehaven en Westpoort.
Ossel is sinds 2008 wethouder. Daarvoor werkte hij vijf jaar als zelfstandig adviseur voor strategisch advies en coaching. Van 2000-2003 werkte hij bij de Bestuursdienst Amsterdam als directeur sector maatschappelijke, economische en culturele ontwikkeling.

Hoe ervaart u de portefeuille wonen?
Ossel: “Een bijzondere portefeuille. Ik noem het een combinatie van een hoge regeldichtheid met een hoge maatschappelijke emotie. Wonen is een spannend en belangrijk thema. Wonen speelt zich in veel dimensies af, van vastgoed, via cultureel erfgoed tot leefbaarheid in wijken. En je struikelt overal over de deskundigen. Daar is natuurlijk op zich niets mis mee, maar er zijn wel veel deskundigen die uitleggen waarom iets niet kan. Ondertussen voel ik de urgentie dat veel zaken vastzitten. De regeldruk is hoog. We hebben er ondertussen, om allerlei goede redenen overigens, met zijn allen in de loop der jaren een aardig vastzittend systeem van gemaakt.

U doelt daarmee op het woningaanbodsysteem?
“Onder andere. Neem die wachttijden. Een gemiddelde wachttijd van 7,3 jaar. Dat zegt niets over de urgentie. Ik kan 7,3 jaar wachten in een prettig huis, kijkend of er wat beters voorbij komt, maar ook drie jaar buiten in de vrieskou. We zitten nu midden in de discussie met alle partijen om tot een ander systeem te komen dat én meer draagvlak heeft én dat een betere maatschappelijk gewenste doorstroom bewerkstelligt.”

Alle pogingen tot radicale aanpassing van het woningaanbodsysteem smoren de laatste tien jaar. Er is altijd wel weer een andere groep of categorie huurders die zich met reden benadeeld kan voelen. Ik geef u niet veel kans.
“Mijn inzet is toch dat het mij niet gaat gebeuren dat het smoort. We zijn nu alles tegen het licht aan het houden. In de loop der jaren zijn er om begrijpelijke redenen allerlei zaken bijgebouwd – zoals voorrangsregelingen voor verscheidene groepen. We kijken nu nadrukkelijk naar het effect van al die regelingen. Er zijn wellicht redenen om bepaalde groepen prioriteit te geven, maar kan dat niet anders?
Het is één groot verhaal. We werken nu aan diverse scenario’s en bekijken het effect. We proberen aan het eind van het eerste kwartaal met voorstellen naar buiten te komen. Rond de zomer moeten we er dan uit zijn gekomen, in overleg met alle partners zoals corporaties, huurders en de stadsregio.
Veel meer tijd heb ik ook niet. Het college heeft afgesproken dat er een fors bedrag moet worden bespaard op het woonruimteverdelingssysteem. Dat start in 2012 en op termijn moet er jaarlijks 2,5 miljoen euro worden bespaard, zelfs iets meer vanwege recente moties van de gemeenteraad. De woonruimteverdeling kost ons nu op jaarbasis 10 miljoen, dus dat betekent dat er ook flink wat druk op staat om zaken te veranderen.”

Maar u creëert ook weer nieuwe voorrangsregelingen. In het nieuwe akkoord Bouwen aan de Stad is er veel aandacht voor jongerenhuisvesting. Er worden extra woningen beschikbaar gesteld (gelabeld) voor jongeren. Je hebt nu in het aanbodsysteem regelingen voor mensen met een handicap, stadsvernieuwingsurgenten, grote gezinnen, studenten, onderwijzers, politieagenten, verpleegsters enzovoort. Moet er ook niet eens wat af?
Dat zou kunnen. Urgenties moet je regelmatig checken. Als het weer makkelijker wordt om bepaalde beroepsgroepen in de stad aan te trekken, moet er ook weer een moment zijn, dat een voorrangsregeling kan vervallen. Uitgangspunt moet zijn dat extra beleid er alleen dan komt als er via de reguliere woningmarkt geen oplossing is. In zijn algemeenheid moet je uitkijken met het benoemen van allerlei groepen. Je moet in ieder geval nagaan wat je concreet bereikt met een regeling. Maar ook dat bekijken we in het kader van het totale woonruimteverdelingssysteem.

Waarom die focus op jongerenhuisvesting?
Studentenhuisvesting heeft deze eeuw veel belangstelling gekregen. Terecht. Dat is belangrijk voor de stad. Maar de stad bestaat niet alleen maar uit creatieve kenniswerkers. Ik weet uit mijn vorige periode als wethouder Wijkaanpak, hoeveel jongeren en jongvolwassenen in vervelende situaties bij hun ouders in kleine huizen moeten verkeren. Die daardoor niet verder komen, met school stoppen enzovoort. Deze groep is veel minder vocaal aanwezig dan studenten, maar wil ook stappen vooruit zetten. De principes uit de studentenhuisvesting, met tijdelijke contracten, labeling en jongerencontracten, zetten we nu ook in om andere jongeren aan een woning te helpen. Juist in deze moeilijke woningmarkt zijn er mogelijkheden voor tijdelijke verhuur. En tijdelijk kan best gaan over een periode van tien jaar, dus dat is heel acceptabel. Die kans moeten we gebruiken. Ik zeg we, maar de gemeente past natuurlijk bescheidenheid. Anderen, met name de corporaties, moeten het uiteindelijk doen. Wij kunnen het faciliteren.”

Laten we het over deregulering hebben. U had een heftige start met deze portefeuille nadat in De Telegraaf de gemeentelijke aanpak van tweede woningeigenaren werd gehekeld. Uiteindelijk heeft u de regels versoepeld. Is dat een opmaat naar verdere deregulering?
“In het Programakkoord hebben we vastgelegd te streven naar meer deregulering en harmonisering van de regelgeving voor bouwen en wonen, ook tussen de stadsdelen. Waar mogelijk worden vergunningen omgezet in algemene regels. Ik zit er niet ideologisch in, van meer of minder markt. Belangrijke principes als dertig procent sociaal bouwen houden we in stand. Waar het mij verder vooral om gaat is welke regels werken en welke regels draagvlak hebben. Die moeten we houden en dan ook handhaven. Daar is nog een wereld te winnen, ook in de afstemming tussen stadsdelen en centrale stad. Je ziet in het nieuwe akkoord Bouwen aan de stad al duidelijke stappen tot verdere deregulering. Procedures en regels voor splitsing en verkoop van corporatiewoningen worden bijvoorbeeld een stuk eenvoudiger.”

De relatie met de corporaties lijkt meer gebaseerd op vertrouwen dan bij eerdere convenanten.
“Dat klopt wel. We gaan ervan uit dat het onze partners zijn. Wat helpt is dat we allebei een flink financieel probleem hebben. Dat schept een band. Daarbij schuiven de corporaties mede door hun liquiditeitsproblemen meer op richting hun sociaal-maatschappelijke kernfunctie. We weten elkaar daardoor makkelijker te vinden.
Daarbij krijgen we als overheid - zwartwit gezegd - steeds beter door, dat we het niet alleen uitmaken. Dat een regel stellen, niet betekent dat een probleem wordt opgelost. Soms is het effectiever om corporaties iets zelf te laten doen en dat wij het alleen monitoren. Dat woord ‘monitoren’ zie je trouwens erg vaak in het nieuwe akkoord. Dat is wel zakelijk en scherp, maar veel meer op afstand.”

Over deregulering gesproken. Particuliere verhuurders en uw coalitiegenoot VVD dringen aan op het afschaffen van de huisvestingsvergunning voor gereguleerde particuliere huurwoningen. Vindt u dat de gemeente zich er nog wel mee moet bemoeien aan welke huurder een particuliere verhuurder zijn woning verhuurt?
“Daar kan ik nog niets concreet over zeggen. Maar bij de scenario-studies die we nu opstellen zitten varianten waarin de overheid zich meer en minder bemoeit met de woonruimteverdeling, gekoppeld aan de kosten van handhaving en effecten. Daar hoort deze optie zeker bij. Ik probeer vooral vanuit de visie te werken hoe we de beste maatschappelijk gewenste doorstroming op de woningmarkt kunnen realiseren, mét een systeem dat op draagvlak kan rekenen.