Wibaut in zes beginselen

‘Het staat er. Knap als ze het afbreken’

Wibaut in zes beginselen

Florentinus Marinus Wibaut was ongetwijfeld de meest invloedrijke wethouder uit de geschiedenis van Amsterdam. In totaal was hij zo’n zeventien jaar wethouder, met onder meer Volkshuisvesting en Financiën in zijn portefeuille. Deze maand verschijnt een boek over hem van Eric Slot. In deze voorpublicatie zet auteur Eric Slot een aantal markante feiten uit het boek: Wibaut in zes beginselen.

1. Betalen naar draagkracht

Op 3 september 1907 werd Wibaut geïnstalleerd als gemeenteraadslid voor de SDAP. Drie weken later nam hij voor het eerst het woord. Die dag waren de ‘schrilste kleuren’ nog te zwak om het ‘jammer en wee’ te schilderen die het gevolg waren van de ramp die Amsterdam had getroffen. Bij een brand in de Marnixstraat waren drie mannen, twee vrouwen en twee kinderen gestikt. Het was een van die panden die van buiten ‘fatsoenlijk en behoorlijk’ leken, maar die volgens de brandweer niets minder dan ‘luciferdoozen, kaarthuizen en brandstapels’ waren.
Wibaut vroeg het college de oorzaak van deze ramp – licht ontvlambare petroleum – weg te nemen door elk pand in de hoofdstad op het gasnet aan te sluiten. Dat net kon worden aangelegd door de gemeentelijke inkomstenbelasting progressief te maken. Betalen naar draagkracht was voor Wibaut een beginsel, zoals hij toch al een man van beginselen was. Die progressieve belastingen kwamen er overigens pas in 1919, Wibaut betaalde er de (dure) collectieve voorzieningen van.
Vanaf die dag in september 1907 zette hij zich vooral in voor de volkshuisvesting. Als lid van de Woningraad en de Gezondheidscommissie liet hij duizenden krotten onbewoonbaar verklaren. Dat ging langzaam: tot 1912 werden binnen de Singelgracht maar 617 kelder- en 3086 andere woningen onbewoonbaar verklaard. Want: waar laat je de bewoners?

2. De gemeente moet zelf bouwen

Het antwoord gaf Wibaut in april 1908: als de markt in gebreke blijft, dan moet de gemeente maar bouwen. Drie jaar later – het ging toen ook al langzaam – diende hij een voorstel in ‘tot den bouw van 2000 arbeiderswoningen’ waarvan de huur tussen de 1,80 en 2,75 gulden zou liggen. Om die lage huur mogelijk te maken greep hij terug op artikel 33 van de Woningwet, waarin de mogelijkheid werd geboden dat rijk en gemeente exploitatietekorten voor hun rekening zouden nemen.
Veel liberale en ‘clericale’ raadsleden waren tegen het ‘2000-woningenplan’. Ze wezen op de omvang van de doelgroep: 70.000 gezinnen. ‘Dit plan staat in de nevelen van de utopieën van de heer Wibaut.’ Het voorstel werd niettemin aangenomen, maar de uitvoering begon vanwege de oorlog pas in 1918. Eerst noodwoningen (de ‘sinaasappelkistjes van Wibaut’), later hele wijken. Er zouden uiteindelijk in dit kader geen 2000 maar 3500 woningen worden gebouwd. Ook introduceerde Wibaut individuele huurtoeslag.

3. Eigen grondbedrijf en erfpacht

Toen Wibaut zijn plan indiende, had de gemeente onvoldoende grond in bezit waarop – financieel gezien – arbeiderswoningen konden worden gebouwd. Bovendien lag de wel beschikbare grond deels in ‘de Volewijksland’ in Noord, waar ‘de trek der bevolking’ nog niet heenging. In de Van Lennepbuurt lag helemaal geen gemeentegrond terwijl de bevolking daar nu juist wel naartoe trok. Wibaut stelde vast dat het college geen enkele rekening had gehouden met ‘den allereersten eisch’ van woningpolitiek: voldoende goedkoop bouwterrein. Zijn conclusie: het had ontbroken aan een systematische grondpolitiek. En dus werd het Grondbedrijf opgericht, eerst als een afdeling van Publieke Werken (voor de uitvoering van Plan Zuid), later als een zelfstandige dienst.
Wibaut voerde in 1911 ook een nieuw erfpachtstelsel in waarbij de canon na 75 jaar zou worden herzien om ‘eventueele’ waardevermeerdering van de grond ten goede te laten komen aan de gemeenschap.
Hij heeft nimmer begrepen waarom zijn partijgenoten in andere gemeenten niet sterker voor dit stelsel zijn opgekomen. “Er zijn gemeenten waar uit verkoop van gronden belangrijke baten ten gerieve van de gewone uitgaven worden verkregen. Dat is politiek van de dag.”

4. Sociale grondprijs

Wibaut was een handelsman. Hadden zijn voorgangers maar wat meer handelsgeest getoond, dan was zijn Plan Zuid niet zo duur geworden. Al eind negentiende eeuw had Amsterdam de grond daar kunnen kopen, maar de raad dacht dat grond zo ver van de stad nooit veel waard zou worden. Nu moest het worden onteigend.
Niet iedereen was destijds overigens even enthousiast over dat plan, of althans de herziene versie van Berlage uit 1917. Wibauts partijgenoot Jos Loopuit vond het een ‘klein gedacht plan’ dat niet getuigde van ‘een grootschen en flink breed gedachten’ opzet. Berlage had bij de herziening flink wat woningen toegevoegd. Ook toen werd al ‘verdicht’ als de exploitatie niet rondkwam.
Steun kreeg Wibaut van SDAP-wethouder Willem Vliegen van PW. Die wilde zich in ‘de zaak van de grondexploitatie’ (of er winst dan wel verlies werd gemaakt) niet fixeren op de kosten: “Wie wist nog hoe het was gegaan met die vorige uitleg, de grachtengordel? Heeft men daarop moeten toeleggen? Is het financieel uitgekomen ja of neen? Dat is men thans vergeten, maar de uitleg zelf heeft plaats gevonden en een groot stuk stad is ontstaan, dat vandaag nog de trots van Amsterdam is…”
Niet zeuren over geld, dus. Na zo’n opmerking was de mededeling van Vliegen dat de grond met verlies zou worden uitgegeven, niet echt verrassend.
Wibaut introduceerde tijdens datzelfde debat iets nieuws – en het is de vraag of elk raadslid dat besefte. Hij stelde de grondprijs van luxe laagbouw hoger dan strikt noodzakelijk, zodat de grondprijs van arbeiderswoningen (opzettelijk te laag gesteld) werd gecompenseerd. De sterkste schouders…

5. Town planning

Overigens was Zuid een van de weinige wijken onder verantwoordelijkheid van de SDAP gebouwd waar de partij nooit een meerderheid kreeg. In de ‘Blauwe Knopenbuurt’ oftewel de Staatsliedenbuurt, de Transvaalbuurt, de Pijp (P.L. Takstraat e.o.), Tuindorp Buiksloot – overal won de SDAP. Betondorp bleef zelfs tot in de jaren negentig van de vorige eeuw rood. Bouw je eigen bolwerken!
Intussen had Wibaut de strijd om een zelfstandige dienst Stadsontwikkeling verloren. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1927 had hij zijn hand overspeeld en werd de SDAP buiten het college gehouden. Als raadslid diende hij er nog wel een motie over in, maar die werd niet aangenomen: Stadsontwikkeling werd een onderdeel van PW. Moest de directeur van PW een veelzijdig technicus zijn, Wibaut vond dat ‘de leider van de stadsontwikkeling’ een ‘architect-ontwerper in den zin van town-planner’ moest zijn en daarnaast vooral econoom ‘in den zin van kenner van de economische ontwikkeling der stad’ en het belang daarvan voor de toekomst. Hij had gelijk, maar kreeg dat niet.
Wibaut vond dat PW maar een eigenmachtig bedrijf. De dienst maakte plannen waartoe de raad nooit opdracht had gegeven en bepaalde zo waar grote verkeerswegen zouden komen. PW wilde de oude stad aan het verkeer aanpassen, Wibaut wilde de binnenstad beschermen. Maar hij verloor dus. De Jodenbreestraat is inmiddels weer versmald.

6. De rekening komt later

Eerst het beginsel, dan de rekening – maar die rekening komt altijd, vroeg of laat. Laat in dit geval: in 1918 werd het 3500-woningenplan goedgekeurd, in 1928 debatteerde de raad nog over de rekening en in 1932 werd er eindelijk een streep onder gezet. Wibaut was toen al een jaar geen lid van de raad meer. Het tekort op de exploitatie zou jaarlijks 1 miljoen gulden bedragen, zo bleek. Veel meer dan beraamd. Zijn vriend Monne de Miranda herinnerde zich dat Wibaut zei: “Maar het staat er. Knap als ze het afbreken.”
Wibaut overleed in 1936. De stad telde toen nog 13.000 krotten, maar ook een veelvoud daarvan aan nieuwbouwwoningen. Tussen 1921 en 1926 werden er alleen al 39.000 gebouwd – elk jaar een kleine stad.