Welstandscommissie laakt kwaliteit stedelijke vernieuwing

Welstandscommissie laakt kwaliteit stedelijke vernieuwing

‘Marktgedreven nieuwbouw is vaak  vlees noch vis’

De Amsterdamse Commissie voor Welstand en Monumenten is bezorgd over de kwaliteit van de stad. Niet dat het slecht gaat met Amsterdam, maar voorzitter Annemiek Rijckenberg wil meer aandacht voor de kwaliteit van de stedelijke structuur bij alle afzonderlijke plannen. Zij pleit voor een doordacht hoogbouwbeleid en meer kwaliteit bij de vernieuwing van Noord en de Westelijke Tuinsteden. “De marktgedreven nieuwbouw is vaak vlees noch vis. Die gaat voorbij aan de bestaande kwaliteit. Daar maak ik me echt zorgen over.”

In het voorwoord bij het jongste jaarverslag van de welstandscommissie pleit je voor meer debat over de ambities van de stad en de gewenste kwaliteit. Waarom heeft de commissie zorgen over de kwaliteit van en de samenhang in de stad?
“Het is niet alleen een Amsterdams fenomeen. Landelijk gezien neemt de aandacht voor stedenbouw af, maar de kwaliteit van Amsterdam zit juist in zijn stedenbouw. De grachtengordel is een stedenbouwkundig monument. Dat geldt eveneens voor de gordel 20/40. Of voor het Oostelijk Havengebied. Ook over het ontwerp van IJburg wordt heel goed nagedacht. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de Noordelijke IJ-oever, maar bij de vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden mis ik die doordachtheid. Aan de vooravond van de vernieuwingsoperatie zijn de sterktes en zwaktes geïnventariseerd. De parels zijn nauwkeurig in beeld gebracht, maar in de nieuwbouw speelt de bestaande stedenbouwkundige kwaliteit nauwelijks een rol. De vernieuwing is sterk marktgedreven. Neo-Jordanese bouwblokken zijn tegenwoordig in de mode, maar dergelijke gesloten bouwblokken passen helemaal niet bij de Westelijke Tuinsteden.”

Maar vernieuwing is daar toch hard nodig?
“De onvrede over de woningkwaliteit is wel terecht. Dat geldt ook voor de kritiek op de eenvormigheid. Maar de nieuwbouw is vervolgens heel vaak vlees noch vis. De nieuwe woningen zijn mooier en groter, maar bieden geen nieuwe oplossingen. Het is overigens niet overal kommer en kwel. Neem Osdorp. Daar ontstaat een nieuw soort vrolijkheid, bijvoorbeeld door de school van Liesbeth van der Pol. Maar ik mis de discussie over behoud van het karakteristieke. En de vernieuwing van de woningtypologie is heel gering. In het buitenland wordt naar nieuwe woonoplossingen gezocht, maar bij ons is de creativiteit op dat terrein minimaal.”

Corporaties zijn wat dat betreft onvoldoende alert?
“Zij hebben aandacht voor de aantallen. Ze zijn bezig met de huidige bewoners en hun wensen. Over het programma wordt niet zoveel nagedacht. Terwijl juist zij het met bewoners over die vraag zouden kunnen hebben: hoe wil je wonen, maar bestaat het nog niet? Bijzondere oplossingen zijn niet alleen voorbehouden aan de bijzondere plekken in de stad waar de creatieve ondernemers zich ontplooien.”

Speelt dat probleem vooral in de Westelijke Tuinsteden?
“We maken ons ook zorgen om Noord. De IJ-oever ondergaat een bijzondere transformatie, maar we moeten voorkomen dat alleen een gouden rand ontstaat. Dat het achterliggende stadsdeel een gebied wordt waar niemand wil komen. Er wordt heel veel gesloopt. Noord kan zich volgens ons ambitieuzer opstellen. De vernieuwing kan beter en feestelijker.”

Anders nog iets?
“ We maken ons ook zorgen over het silhouet van de stad. Door het succes van Amsterdam is de druk op de stad heel groot. De markt speelt daar op in door overal waar men grond kan verwerven een zo groot mogelijk volume te realiseren. Ook corporaties doen daar aan mee. Op dat moment moet er wel een visie zijn op de vraag waar de deelgemeenten hoogbouw willen realiseren. Waar verdichten en waar laten we dat liever achterwege; die vraag moet worden beantwoord.
Wilt u die verdichting vervolgens in dikke blokken? En kiest u voor concentratie op bepaalde plekken of voor een totale verhoging van de stad?
Er wordt inmiddels aan een hoogbouwvisie gewerkt, maar dat is nog geen verplichtend verhaal. En dat terwijl het silhouet van de stad een stadsdeeloverstijgend belang is, letterlijk en figuurlijk. Maar ik blijf altijd optimistisch. Toen ik drie jaar geleden bij de welstandscommissie begon, waren er tal van losse plannen voor de Wibautstraat. Samen met de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling hebben we aandacht gevraagd voor de noodzaak tot samenhang op een zo stedelijke as. En nu komt er een plan voor de Wibaut-as. Het oude masterplan is weer van stal gehaald, er is een supervisor benoemd. Het bestuur doet iets met onze adviezen, dat is zeer positief.”
Is het niet al te laat voor het silhouet van de stad?
“Niet helemaal, gelukkig. De bestaande hoogbouw in clusters in Zuidoost, aan de Amstel en aan de Zuidas en de voorgenomen bebouwing van het voormalige Shell-terrein geven een duidelijke oriëntatie. Maar we zouden het jammer vinden als we overal in de stad losse hoogbouw krijgen. Elk stadsdeel een eigen poort. De stadsdelen spelen daarin wel een belangrijke rol. Niet op de laatste plaats vanwege alle plannen voor de bouw van nieuwe stadsdeelkantoren. Daar zal ik me niet over uitspreken, dat is aan de politiek. Maar er moet tussen de stadsdelen wel een gedeeld besef van kwaliteit ontstaan. Ieder stadsdeel is onderdeel van een groter geheel. Ze worden er ook beter van als de stad afleesbaar blijft. Het zou daarom goed zijn als aan de nieuwe structuurvisie - de toekomstschets voor de Amsterdam Metropool - een kwaliteitsverhaal wordt gekoppeld.”
Moet Amsterdam nog ‘stedelijker’ worden?
“Gezien de kwaliteit van de voorzieningen en de aantrekkingskracht is Amsterdam het aan zijn stand verplicht de stedelijkheid te versterken en te behouden. We moeten in dichte pakking blijven bouwen, anders wordt de stad afgesloten voor nieuwe groepen. Verdichting is ook nodig om een gebied als Waterland groen te houden. Tot op heden is dat een succesvolle strategie gebleken. Waar kun je zo snel vanuit het hart van de stad in zo’n mooi buitengebied zijn?”

Aan de andere kant maakt u zich grote zorgen over de vele sloopplannen?
“Zeker het afgelopen halfjaar zijn we met tal van sloopplannen in de bestaande stad geconfronteerd. In Oud-Zuid, Oud-West, Westerpark, Zeeburg en de Watergraafs­meer. Soms bekruipt me het gevoel dat we veel te gemakkelijk voor sloop kiezen. Corporaties gebruiken dan als argument: de woningen zijn te klein. Aan de andere kant zien we in de stad steeds meer één- of tweepersoonshuishoudens. Voor hen zijn die woningen nog perfect. Waarom moet het beleid voor de hele stad op de vermeende komst van gezinnen worden gebaseerd?

Transformatie in de bestaande stad is wat u betreft ‘not done’?

“Als de politiek die transformatie wil, dan zullen wij positief adviseren over de inpassing. Die is heel vaak niet gemakkelijk. Nieuwbouw gaat bijvoorbeeld gepaard met de bouw van ondergrondse parkeergarages. Heel begrijpelijk en nuttig, maar die ingangspoorten passen niet in de bestaande straat en de daarvoor geformuleerde criteria. Het gaat ons vooral om bewuste keuzes vooraf. Denk na over de karakteristieke elementen. Wat is waardevol om te behouden? Wat moeten we versterken? We zien heel veel plannen langskomen in de negentiende-eeuwse wijken. Die verandering gaat heel hard. Daarover moeten we met elkaar in debat treden, want de negentiende-eeuwse karakteristiek verandert onherroepelijk.

Bert Pots

Annemiek Rijckenberg

De Utrechtse oud-wethouder Annemiek Rijckenberg (GroenLinks) is sinds drie jaar voorzitter van de welstandscommissie. Afgelopen zomer is zij benoemd voor een tweede periode. Voor haar politieke carrière was ze in Utrecht actief in het opbouwwerk. Juist toen ontwikkelde zij haar interesse voor stadsvernieuwing en stedenbouw. Daarnaast is zij onder meer lid van de VROM-raad en het college voor Stedelijke Innovatie van het Nicis Institute. De welstandscommissie opereert van oudsher in de luwte, maar wil een grotere rol gaan spelen in het openbare debat.
 

Rob Post ... begrijpt de kritiek niet

Rob Post, stadsdeelvoorzitter in Noord, is het met Annemiek Rijckenberg eens dat zijn stadsdeel ervoor moet waken dat Overhoeks de parel aan het IJ wordt en dat de daarachter gelegen stad onvoldoende aantrekkelijk is. “We houden daar ook absoluut rekening mee. Het ontbreekt ons zeker niet aan ambities. Neem het Albatros-gebouw in de Vogelbuurt. Een mooi ontwerp. De architect heeft gekozen voor bijzondere materialen. Beter kunnen we het niet maken. Wat bedoelt ze dan?”
Post verwijst verder naar Nieuwendam-Noord. Na sloop komt er volgens hem een prachtige nieuwe wijk terug waar de oude bewoners blij zijn met wat er aan betaalbare woningen wordt teruggebouwd. “We hebben op zo’n plek veel aandacht voor kwaliteit. Er wordt niet beknibbeld. Ik begrijp de kritiek dan ook niet. Dat geldt ook voor de plekken waar nog veel gaat gebeuren. De nieuwbouwplannen voor De Banne kennen een hoog ambitieniveau. Of neem de ingrijpende vernieuwing van het Waterlandplein. De openbare ruimte mag er straks niet onderdoen voor de Zuidas, zo hebben we in de deelraad met elkaar afgesproken.”

Rolf Steenwinkel ... kan Rijckenberg niet volgen

Rolf Steenwinkel, wethouder in stadsdeel Westerpark, is evenmin bevreesd voor een gouden oeverrand. “Vijftien jaar geleden hebben we het misschien niet zo goed gedaan. Bij de bouw van de Silodam zijn we er niet in geslaagd een goede relatie te leggen met de achterliggende wijk. Bij de ontwikkeling van de Houthaven hebben we juist oog voor de Spaarndammerbuurt. Stedenbouwkundige Sjoerd Soeters heeft nadrukkelijk de opdracht meegekregen een goede verbinding tussen nieuw en oud te realiseren. Ook willen we de huidige verkeersbarrière wegnemen door de bouw van een lange verkeerstunnel onder de Tasmanstraat.”
Ook kan hij Rijckenberg niet volgen als het gaat om het mogelijk verknoeien van oude wijken. “Wij zijn juist heel terughoudend als het gaat om sloop/nieuwbouw. De deelraad wil dat ook niet. Daar waar het wel gebeurt en bijvoorbeeld gebouwen met ondergrondse parkeervoorzieningen gestalte krijgen, besteden we veel aandacht aan de inpassing. Zo zijn we er in geslaagd de ingang van een parkeergarage mooi in de gevel van een voormalig winkelpand te plaatsen.”
Aan de andere kant prijst Steenwinkel zich juist gelukkig met de sloop van enkele gebouwen uit de jaren tachtig. “Van die kronkelige gebouwen waar niemand vandaag nog gelukkig mee is, maken plaats voor gebouwen die beter passen. Daarmee versterken we juist het aanzien van de stad.”

Gerard Anderiesen ...is verrast

Ook Gerard Anderiesen, directeur van de nieuw gevormde corporatie Stadgenoot, is verrast over Rijckenbergs constatering dat oude wijken hun karakter dreigen te verliezen. “Na de klassieke stadsvernieuwing hebben we voor de negentiende-eeuwse gebieden en de gordel 20/40 toch veel meer gekozen voor behoud van het bestaande. Het is wel waar dat nieuwe parkeeroplossingen het oude beeld verstoren, maar dan is het zaak daarvoor goede oplossingen te bedenken. In zijn algemeenheid is dat een terechte oproep. Aan de andere kant is de vrees me te zwaar aangezet. In mijn beleving wordt er niet zoveel gesloopt. Die keuze wordt zeker niet makkelijk gemaakt. Zo gaat dat niet in Amsterdam. En bij nieuwe invullingen wordt toch echt gezocht naar een goede aansluiting op de oude stedenbouwkundige structuur.”
De discussie dat bij de vernieuwing van naoorlogse wijken onvoldoende oog bestaat voor behoud van karakteristieke onderdelen speelt volgens Anderiesen al een hele tijd. De manier waarop Rijckenberg die aansnijdt, vindt hij niet zo gelukkig. “Sinds begin jaren negentig praten we over de vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden. Er is richting Parkstad gekozen voor verdichting. Op het moment dat er duizenden woningen extra moeten komen en oude woningen door grotere worden vervangen, dan is uitbreiding van het volume onvermijdelijk. Dan verandert het stedelijk milieu. Dat is handhaving van de oude open verkaveling niet mogelijk.”
Uit de evaluatie van Parkstad is naar voren gekomen dat veelvuldig dezelfde oplossingen worden gekozen. Maar dat is volgens hem niet het gevolg van simpelweg aantallen halen. Of een gebrek aan nadenken. “Er is een kwaliteitsteam geweest. In de Westelijke Tuinsteden zijn supervisoren actief. Vooraanstaande stedenbouwkundigen zijn bij de planvorming betrokken geweest.”
Ook wijst Anderiesen op een gebrek aan consensus. “Het oordeel over de kwaliteit van de oorspronkelijke Westelijke Tuinsteden wisselt sterk. De Van Eesteren-believers staan tegenover de mensen die de Tuinsteden toch vooral saai vinden. Tot eensgezindheid zijn we nooit gekomen.”
Bovendien ziet hij een grote druk vanuit de gemeente. Juist daar speelt het streven naar maximale grondopbrengsten.