Lex Pouw en Roel Steenbeek: waarom Ymere en Woonmaatschappij fuseerden


“Het moet niet onze show worden”

Dossier corporatiefusiesSinds 1 januari is de fusie van Ymere en Woonmaatschappij een feit. De nieuwe fusiecorporatie Ymere bezit ruim 78.000 wooneenheden in de noordelijke randstad. De Haagse politiek mort over de schaalvergroting in de corporatiesector. Bij Ymere vindt men deze discussie armoedig. De twee topmannen Lex Pouw en Roel Steenbeek zien alleen maar voordelen: voor de bewoners, de regio en het eigen personeel. “Er komt zoveel nieuw elan los.” Een interview.

Extra investeringen?

Ymere en Woonmaatschappij hebben in alle communicatie rond de fusie de nadruk gelegd op de extra investeringsmogelijkheden doordat de balanspositie sterk verbetert. Door risicoreducties zou 65 miljoen extra onrendabel kunnen worden geïnvesteerd in probleemwijken. Maar hoe concreet leeft dit bedrag voort nu de fusie een feit is? Wordt het apart gelabeld of verdwijnt het in het totaal? PvdA-Kamerlid Adri Duivesteijn twijfelt bijvoorbeeld nogal over de hardheid van de toezeggingen.

Het nieuwe Ymere
• Raad van Bestuur: Lex Pouw (voorzitter), Roel Steenbeek (vice-voorzitter), Pieter de Jong (beheer), Ber Bosveld (waardesturing, financiën en ondersteuning) en Stefan Schuwer (ontwikkeling).  Lex Pouw, de voormalige bestuursvoorzitter van Ymere, krijgt de leiding. Hij wordt na zijn pensionering opgevolgd door Roel Steenbeek, de voormalige bestuursvoorzitter van Woonmaatschappij.
• Ymere bezit 78.000 wooneenheden
• Investeringsprogramma: de komende vier jaar 5,4 miljard euro in vastgoed en € 865 miljoen extra in dertien ‘aandachtsbuurten’.

Steenbeek: “Door onze clubs in elkaar te schuiven ontstaat extra investeringsruimte. Van aanvang af hebben we met bewoners en gemeenten aan tafel gezeten. Op basis daarvan zijn dertien wijken geselecteerd waarin we extra gaan investeren. Vervolgens hebben we gezegd: we zijn niet morgen klaar. Het zal vijf tot tien jaar duren voor alle plannen zijn verwezenlijkt. We maken eerst samen met alle partijen plannen en op basis daarvan delen we middelen toe. De basis is dat we gezamenlijk met andere belanghebbenden aan de slag willen. Maar we hebben tegen de gemeentes gezegd: wij spelen niet alleen voor Sinterklaas; wij kijken ook wat jullie gaan doen. We investeren bovendien alleen in plannen die een wijk echt vooruit helpen. Hetzelfde geldt voor de investeringen in de zogeheten Vogelaarwijken. Onze aanpak is dus niet: er is geld en verzin maar wat. We willen ook echt de output kunnen meten. Dat hoeft niet in stenen te zijn. Je kunt ook sociale stijging aantonen of meer arbeidsparticipatie. We willen investeren in mensen. Je moet dus nieuwe indicatoren ontwikkelen om te zien wat dergelijke investeringen opleveren. Als je dat niet doet, ben je snel een bak geld kwijt en de zoveelste die wat probeert. Maar het extra bedrag dat we investeren zit wel geoormerkt aan die plannen.”
Pouw: “Die 65 miljoen onrendabel is een hulpmiddel voor een veel grotere investering. De fusie maakt het mogelijk in dertien wijken zo’n 200 miljoen euro extra te investeren. Met het onrendabele deel worden die investeringskosten bedoeld, die niet met (huur)opbrengsten worden terugverdiend. Je mag in onze jaarrapportages een aparte financiële paragraaf verwachten voor deze wijkplannen. Onze voorwaarde is wel, zoals Roel zegt, dat de overheid haar deel doet. Het moet niet onze show worden, het gaat om samenwerkingsverbanden, net als bij bouwplannen. Wij willen rond sociale en economische investeringen op een vergelijkbare manier samenwerken met andere publieke sectoren. De meerwaarde die wij kunnen inbrengen is die van gestructureerd ondernemend langetermijndenken.
“Maar men moet wel van beide kanten willen. Als een gemeente of stadsdeel zich wantrouwend opstelt, kun je niet goed samenwerken. We vinden overigens ook in Almere voldoende ingangen om vol vertrouwen de samenwerking aan te gaan. Wethouder Henk Smeeman (VVD, stedelijk beheer, sociale cohesie, nvdr.) stelt zich zeer constructief op.”
Steenbeek: “Discussies zoals Duivesteijn die voert gaan over de machtsvraag. Maar wij willen medeverantwoordelijkheid voor de wijken en bewoners. Wij doen de aanbieding de opgave die in die wijken ligt samen aan te pakken.”

Regionale woningmarkt

Ymere is de eerste corporatie met een sterke aanwezigheid in bijna de hele Noordvleugel. Gaat dat tot veranderingen leiden in de regionale woningmarkt?
Steenbeek: “De woningmarkt houdt niet op bij gemeentegrenzen. Je ziet dat ook op de koopmarkt. Corporaties, en zeker Woonmaatschappij en Ymere, hebben in het verleden aanzetten gedaan om dat regionale denken op de agenda te krijgen, ook voor de sociale sector. Dat is succesvol geweest. In de praktijk kunnen we nu makkelijker uitvoeren wat we altijd al zeggen: met de productie meer diversiteit in het woningaanbod creëren. We hebben nu meer massa en grondposities om dat uit te voeren. En vanuit deze sterkere positie zullen ook andere partijen ons beter weten te vinden.

We willen graag Kennemerland aan de stadsregio Amsterdam koppelen

“Vanuit de kant van de woningverdeling kun je nog meer initiatieven van ons verwachten – zoals eerder de Woonversnelling. In Haarlem en de Haarlemmermeer hebben we nu zelfs dertig procent vrije beleidsruimte, waarin we zelf mogen toewijzen buiten Woningnet om. Daarmee kunnen we veel beter maatwerk leveren, waardoor we bijvoorbeeld ouderen naar geschikte woningen bemiddelen en zo grote woningen vrijspelen voor grote gezinnen. We kunnen veel beter aan matching doen.
“En het is geen geheim dat we graag Kennemerland aan de stadsregio Amsterdam willen koppelen. Ook dat zou beter aansluiten op bewegingen die al in de koopmarkt plaatsvinden. De oriëntatie van bewoners wordt regionaler.”
Pouw: “Corporaties denken anders dan gemeenten. Wij redeneren vanuit de woningmarkt, vanuit wensen van bewoners. Zo is Woningnet ontstaan. Dit soort krachten hebben ertoe geleid dat gemeenten hun hekken hebben opengezet. Dat regionale denken zal dankzij corporaties als de onze doorzetten, dwars door de formeel juridische kaders van de gemeentegrenzen heen.”
Steenbeek: “Zo hebben we er vijf jaar voor moeten knokken om de barrières tussen Haarlemmermeer en Haarlem te slechten. Nu is het zover dat je als Haarlemmermeer-bewoner een huurwoning kan zoeken in Haarlem.”
Pouw: “Amstelveen is een beetje het omgekeerde. Daar heerst het closed shop-denken. Daar mogen anderen niet in.”

Monopolie?

Over de Haarlemmermeer gesproken. Het nieuwe Ymere heeft daar negentig procent van het sociale woningbezit in handen. Hoe kun je voorkomen dat zo’n dominante positie niet tot arrogantie en gemakzucht gaat leiden?
Pouw: “Onze geschiedenis is dat we juist steeds ondernemender worden. Haarlemmermeer is voor ons niet een aparte bedrijfseenheid waar we kunnen suffen. Ons ontwikkelbedrijf werkt niet zo. Wij worden door ontwikkelaars en gemeenten juist gevraagd voor ingewikkelde opgaven. De verwachting is dat we veel kunnen en dat is ook zo. Al die bouwkranen die je hier in Amsterdam ziet. Dat zijn enorme prestaties.
En ook wat dienstverlening aan bewoners betreft is er geen enkele aanleiding om te denken dat een fusie tot verslechtering leidt. Toen we fuseerden tot Ymere zijn we beter gaan scoren volgens de maatstaven van het KWH-label. Haarlemmermeer wordt niet als een aparte entiteit aangestuurd. Op de kwaliteit van dienstverlening bestaat bij ons een constante interne concurrentie tussen de vestigingen. Hun prestaties worden via objectieve systemen gemeten. De geschiedenis van eerdere fusies is juist dat je extra impulsen krijgt om het bedrijf op een hoger plan te brengen.”
Steenbeek: “Je moet niet vergeten dat Woonmaatschappij al tachtig procent van de sociale voorraad beheerde in de Haarlemmermeer. Dat idee van machtspositie hebben we zelf nooit zo ervaren. Bij onze vorige fusie ontstond ook een soort monopoliepositie vanuit de gemeente gezien, terwijl het vanuit onze corporatie een stukje is van onze regionale markt. Na de fusie hebben we een enorme professionaliseringsslag gemaakt. We hebben financiële problemen opgelost, onze taken verbreed en de productieafspraken met de gemeenten kunnen verhogen. Op tal van terreinen hebben we juist nieuwe initiatieven genomen; op het vlak van wijkaanpak, samenwerking met maatschappelijke organisaties en maatschappelijk vastgoed. Anders is dat de gemeente niet meer voorschrijft, maar dat we samenwerken. We hebben nu ook constructief met het college van Haarlemmermeer aan tafel gezeten. Voor hen was belangrijk dat er een lokale vestiging bleef. Maar dat stond helemaal niet ter discussie. Wij zijn juist de promotor van het vestigingsmodel.”

Die Haagse discussie over fusies heeft iets armoedigs

Toch wil wethouder Tuning van Haarlemmermeer graag een tweede corporatie om niet helemaal afhankelijk van Ymere te worden.
Pouw: “Dat is prima; dat moet hij gewoon doen. Toen Woonmaatschappij na de vorige fusie honderd procent eigenaar werd van het sociale woningbezit, heeft hij ons uitgenodigd.
“Het gaat bij ons om het tweeluik ondernemerschap en professionalisering. Wij kunnen niets zonder de gemeente. Vanwege die onderlinge afhankelijkheid zou dat denken in machtsconcentraties niet aan de orde moeten zijn. Ons probleem is eerder of gemeentes voldoende de bereidheid hebben samen te werken.
“Onze fusies hebben in het verleden geleid tot meer initiatieven, tot nieuw elan. Bewonersorganisaties zijn niet voor niets zo enthousiast over deze fusie. Heel interessant is dat ze niet in een hoekje zijn gaan zitten, maar nieuwe initiatieven hebben ontplooid. Hun vertrouwen is gebaseerd op onze eerdere ervaringen. In de vorige fusies hebben we al dat soort machtsvragen – niet te groot, niet te machtig – op adequate manier opgepakt. Het gesprek gaat nu veel meer over nieuwe mogelijkheden. Opvallend is dat die hele discussie over de Vogelaarwijken buiten bewonersorganisaties is omgegaan. Behalve bij ons, want wij werken altijd zo. En we hebben die gebiedsgerichte aanpak van wijkvernieuwing inmiddels ook in de praktijk laten zien, zoals in Amsterdam rond Het Sieraad en het Timorplein.”

Den Haag

Gek toch als men dit allemaal hoort, dat Den Haag met zoveel wantrouwen kijkt naar corporaties? Volgens de motie van Staf Depla lijkt voor elke fusie die leidt tot corporaties met meer dan 10.000 woningen te gelden een ‘nee, tenzij’.
Pouw: “Die Haagse discussie gaat echt alleen maar over macht. Het heeft iets armoedigs. Het lijkt wel of men in de Tweede Kamer niet meer verbonden is met de realiteit. Het Woningbedrijf Amsterdam had rond 1920 al meer woningen. In Amsterdam functioneerden corporaties altijd buiten de schaal die Depla nu tot norm wil verheffen. En we werken sinds begin jaren tachtig met gebiedsvestigingen, waardoor op deze schaal de interactie met bewoners, buurtorganisaties en lokale politici plaatsvindt. Je hebt tegenwoordig beide schaalniveaus nodig om goed te kunnen functioneren.
“Hoe kan Depla nu zeggen dat de wethouders bang zijn voor de corporaties. Moet je nagaan wat er hier in de Noordvleugel aan bestuurlijke kracht zit. Hoe kan iemand nu zo denken? Ik herken het helemaal niet. We kunnen hier wel badinerend over doen, maar ik vind het heel zorgelijk dat de Tweede Kamer deze discussie voert. Onze opgaven zijn groot en we hebben sterke professionele organisaties nodig. “
Steenbeek: “Je wordt er een beetje meewarig van. Als je ziet welke brede steun we hebben in het werkgebied, van lokale politici, van bewonersorganisaties, van andere partners. Dat zijn de partijen waarmee en waarvoor je het doet. Die zullen het toch wel weten. En dan moet Vogelaar zich straks in de Kamer verantwoorden. Dat gaat dus alleen maar over macht. We moeten daar verder niet in meegaan, maar gewoon aan de slag om de meerwaarde van de fusie aan te tonen. Klaar.

Nu we het toch over Den Haag hebben: De Balkenende-norm. Welke rol gaat die spelen bij het vaststellen van de nieuwe salarissen in de top? Zijn jullie daar gevoelig voor?
Steenbeek: “Natuurlijk, want het is wel de werkelijkheid. Wij leven in een glazen huis. Iedereen heeft er een mening over. De andere kant is dat we weliswaar een maatschappelijke onderneming zijn, maar wel een onderneming, waarin geweldig veel geld omgaat en met enorme risico’s. Als wij mensen van de markt willen trekken van het goede niveau, dan moet je die ook naar de markt betalen. Iemand voor projectontwikkeling of vastgoedsturing moeten we bij een ontwikkelaar of belegger vandaan halen. En die heeft geen ‘maatschappelijk’ salaris. Daar moeten we een balans in zoeken.”
Pouw: “De veronderstelling van de politiek is dat mensen mede op basis van idealisme bij maatschappelijke organisaties werken. Daar kan ik gedeeltelijk in meegaan. Ymere volgt daarom de Izeboud-norm, dat is een poging om maatschappelijke organisaties een vorm van transparantie en normering te geven. Het is in lijn met het advies van de commissie Dijkstal. De Balkenende-norm is een politieke norm, Izeboud is onze norm. Daar zoeken we de grenzen van op. We volgen niet één-op-één de markt, maar hebben steeds meer te maken met een competitieve arbeidsmarkt.”
En dat betekent voor uw salaris?
Pouw: “Ik verwacht wel een bescheiden stijging, maar niet vergelijkbaar met de schaalsprong die Ymere maakt.

Biedt de fusie nog voordeeltjes voor Ymere-huurders?
Steenbeek: “Het gaat niet zitten in veel grotere rechten of betere kansen. Dat soort beloften kunnen we niet hard maken. We werken binnen de gemeentelijke kaders. De meerwaarde komt uit betere dienstverlening en meer productdifferentiatie.”
Pouw: ”Sinds de vorige fusie hebben we een poot studentenhuisvesting opgericht, en afdelingen voor wonen-en-zorg, commerciële woningverhuur en maatschappelijk vastgoed. Deze schaaltoename geeft nieuwe mogelijkheden voor productdifferentiatie. Wat bewoners ook merken, is dat de afstand naar het dichtstbijzijnde kantoor afneemt. Het aantal vestigingen blijft namelijk gelijk.

Ymere is nu grootste. Uitgegroeid?
Pouw: “Dat was ook een punt in de gemeenteraad: als je nu maar niet meer groeit. Dat vind ik zo’n rigide uitgangspunt. We hebben geen enkel plan daartoe, maar stel dat een corporatie uit Zaanstad zich bij ons wil aansluiten. Dan zeg je toch niet bij voorbaat nee. Maar we hebben geen groeiambities in kwantitatieve zin. We willen beter worden, niet groter.”

Fred van der Molen