Stappen met Maarten Kloos op Steigereiland

Stappen met Maarten Kloos op Steigereiland
“Experimentwijk is slap aftreksel geworden”

In de Zuidbuurt van Steigereiland is een experimentwijk met particulier opdrachtgeverschap in wording. Er wordt enthousiast ontworpen en gebouwd. Maar Maarten Kloos, oprichter en al twintig jaar directeur van architectuurcentrum ARCAM, is geen voorstander van particulier opdrachtgeverschap zonder stedenbouwkundige regie. De rondwandeling op Steigereiland bevestigt zijn reserves. “Het wordt snel een kakofonie van stijlen.”

Steigereiland. De rondwandeling begint in de Cornelis Zillesenlaan en eindigt bij Vrijburcht. We hebben de straten bekeken waar de woningbouw het verst is gevorderd. Dat zijn zowel vrijstaande kavels als aan elkaar geschakelde ‘herenhuizen’. Onze vraag is eigenlijk heel simpel. Wat vindt Maarten Kloos van de resultaten van het particulier opdrachtgeverschap? Van de individuele architectuur, van de totale uitstraling, van het concept en de uitwerking van het particuliere opdrachtgeverschap op Steigereiland.

Hij begint met een verontschuldiging. Dat het heel oneerlijk is wat we doen. Dat de buurt niet af is. Dat er nog volop wordt gebouwd. Dat de definitieve straat, de trottoirs, tuinen en erfscheidingen nog ontbreken. “Over een jaar of tien zien die straten er heel anders uit. Er is groen, er staan bomen, straat en stoepen zijn aangebracht en de huizen zelf hebben meer karakter. Bakstenen huizen worden altijd mooier als ze verouderen.”

Maar vervolgens gaan toch snel de remmen los, want architect Kloos is geen pleitbezorger van particulier opdrachtgeverschap. Zeker niet het type dat in Steigereiland vorm krijgt, zonder welstand en stedenbouwkundige regie. “Het leidt zo snel tot een kakofonie van stijlen. We hebben in Nederland een rijke traditie van institutioneel bouwen. We zijn goed in het bouwen van flinke hoeveelheden woningen van een zeer goede kwaliteit. In niet veel landen wordt zo goed gebouwd als in Nederland. Dat moet je wel afwegen als je het anders wil doen.”

We kijken langs de gevels van de herenhuizen in het midden van Jan Olphert Vaillantlaan. “Kijk hier eens. Ik wil eigenlijk niets zeggen over de individuele kwaliteit. Er staan goede ontwerpen tussen. Maar bij elkaar lijkt zo’n rijtje wel een catalogus van gevelmaterialen.” Nog treuriger stemt hem het doorkijkje in de zijstraat. Langs het “zeer doordacht” ontworpen modern bruine bakstenen hoekhuis zien we een traditioneel hollands huis met landelijke uitstraling. “Een cataloguswoning”, sombert Kloos. Maar ook hier ter verzachting: “Het is allemaal nog niet af, de uitstraling wordt straks natuurlijk anders.” Maar duidelijk is dat Kloos betwijfelt of het met deze confrontatie van bouwstijlen ooit nog goed komt.

Dat is eigenlijk de rode draad in zijn kritiek. Dat al deze individuele eigenaren hun huis mogen ontwerpen zonder zich rekenschap te geven van hun omgeving. Dan moet je maar geluk hebben hoe het uitpakt. Hij mist de centrale regie die de Scheepstimmermanstraat in zijn ogen juist tot zo’n architectonisch succes heeft gemaakt. Hij mist de stedenbouwkundige visie van Sjoerd Soeters’ Java-eiland. “Daar zie je hoe het ook kan. Grote verscheidenheid, maar het straalt een eenheid uit door de overeenkomsten in maatvoering en door de herhaling van blokken. Je ziet hier ook tal van goede en spannende ontwerpen, waarvan je zonder meer aanneemt dat ze ook binnen goed in elkaar zitten. Reken maar dat tal van architecten die hier bouwen, hun huis als een visitekaartje beschouwen.” Maar wat is de totale meerwaarde, vraagt de stedenbouwkundige in Kloos zich af.

Bij de vrije kavels ziet hij een groot aantal huizen die er op zichzelf mogen zijn. “Ik zie zo’n huis voor me aan een eind van een laan. Prachtig. Maar in het totaal van al deze kavels levert het geen kwaliteit op.” In dezelfde straat staat het inmiddels roemruchte ‘lemen huis’. Kloos zucht. Hij heeft zich er in een radioprogramma al zeer negatief over uitgelaten en de woede van tal van luisteraars op de hals gehaald. De eigenaresse heeft zich volgens hem tevoren niet goed op de hoogte gesteld, waardoor ze zich bij de uitvoering permanent beknot voelde in haar mogelijkheden. Het resultaat is een huis waar niemand blij mee is. Jammer voor haar, maar vooral voor de omgeving. Kloos: “je moet je toch afvragen of je zoiets de buren wel kunt aandoen.”

Diezelfde bedenking heeft hij bij een in felgele tegels uitgevoerd herenhuis. “De straat is niet zo breed. De kans is toch aanwezig dat de overburen een deel van de dag een gele gloed in huis hebben.”

Architectuurtoerisme?

Kloos verwacht niet dat hier over twintig jaar bussen architectuurtoeristen zullen neerstrijken. “Al past hier bescheidenheid. De geschiedenis leert dat je nauwelijks meer dan tien jaar vooruit kunt kijken.” Maar toch: als experimentwijk is het een “slap aftreksel” geworden van wat het had kunnen zijn. Kloos ergert zich paradoxaal genoeg nog het meest aan de institutionele woningblokken die tussen de zelfbouwkavels zijn gebouwd. “In de eerste plaats zie je dat men daar op een zeer onbeholpen manier de uitstraling van de zelfbouwkavels in het ontwerp heeft proberen terug te laten komen. Dat is toch wel de wereld op zijn kop.” Hij wijst op de variaties in kleur van de kozijnen, bakstenen en hoogte van de huizen. Maar echt mismoedig wordt Kloos van het blokje woningen aan het eind van de Vaillantlaan. “Wat een armoede. Dit is liefdeloos. Kijk hoe de voordeuren zijn geplaatst. De bezoeker wordt geen enkele beschutting geboden. En dat terwijl juist onze woningbouw een rijke traditie heeft met dit soort details.”

Fred van der Molen