Nieuw West:

Nieuw West:
onderzoek naar de sociale programma’s van de herstructurering
‘Een Amsterdamse benadering’

In alle blauwdrukken voor herstructureringsprojecten staat het braaf als drie-eenheid vermeld: vernieuwing heeft een fysieke, een sociale en economische poot. De meeste aandacht en geld gaan altijd uit naar de fysieke herstructurering. De afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam deed onder leiding van prof. Jan Willem Duyvendak onderzoek naar de aanpak van de sociale vernieuwing in de Westelijke Tuinsteden. Dat viel niet tegen. De onderzoekers ontwaarden zowaar iets als ‘een Amsterdamse benadering’. De sociale programma’s maken duidelijk dat bestuurders en professionals geloof hebben in de bestaande bevolking.

Nieuw West in Amsterdam staat in het brandpunt van de belangstelling. Het betreft dan ook het grootste herstructureringsgebied in Nederland: dit zijn de naoorlogse wijken met veel sociale huurwoningen waar grote sociale problemen bij elkaar komen. Alleen daarom al zou het schrijven en spreken over deze buurt op afgewogen wijze moeten gebeuren. Dat is niet meer in de mode de laatste jaren. Margalith Kleijwegt, die een indringend boek schreef over de (onzichtbare) rol van allochtone ouders, gebruikt termen als getto’s en schrikt er niet voor terug de buurt te bestempelen aan de hand van zijn foutste bewoner. Haar boek gaat over ‘De buurt van Mohammed B’. De meeste bestuurders zijn voorzichtiger in hun taal en betiteling van de buurt.

Met name projecten die zeer gericht en intensief individuen en gezinnen bij de hand nemen zijn beloftevol

De vele uiteenlopende problemen worden liever per stuk benoemd dan gevangen in snelle slogans. Maar dat Amsterdam drastische plannen heeft gesmeed om de Westelijke Tuinsteden te herstructureren en deze uitvoert, geeft aan dat ook bestuurders menen dat er fors moet worden ingegrepen. Lokale overheden, woningcorporaties en zorginstellingen bundelen, gelet op deze enorme opgave, hun krachten niet voor niets in samenwerkingsverbanden als Parkstad, FarWest en CareWest.
Bij dergelijke grootschalige bouwprogramma’s en grote samenwerkingsverbanden ligt grootspraak op de loer. Die neiging kan ook de lokale politiek, getuige de beleidsnota’s, niet altijd onderdrukken. Zo heeft het sociaal beheer in Osdorp (Zuidwestkwadrant) als doelstelling meegekregen “de bestrijding van sociaal-educatieve en maatschappelijke achterstanden en overlast en het vergroten van sociale samenhang en veiligheidsgevoelens”. Toe maar.
In de praktijk blijkt zich echter een werkwijze uit te kristalliseren die beperkter, maar wel realistischer is in welke problemen kunnen worden aangepakt. In deze benadering wordt professionele ondersteuning verlegd van bureaucratische procedures achter hoogdrempelige balies en gesloten kantoordeuren, naar de praktijk op straat, in de portiek en achter de voordeur.

Aankloppen en luisteren

Wat is nu die ‘sociale pijler’ van de stedelijke vernieuwing? Het is een label waar veel projecten onder kunnen worden gerangschikt. De projecten ogen soms fragmentarisch, incidenteel, met weinig follow up, al was het maar omdat ze moeilijk te financieren zijn. Wij hebben vier programma’s onderzocht met een wat steviger basis. Het bereik van de onderzochte programma’s is opvallend in de breedte (aantallen bereikte huishoudens), maar we zien ook gunstige effecten in de diepte (de mate waarin huishoudens vooruitkomen).
Vooral projecten die zeer gericht en intensief individuen en gezinnen bij de hand nemen zijn beloftevol. Deze individuele benaderingen – gericht op het greep leren krijgen op het eigen leven en op werkelijk vooruitkomen – zouden op grote schaal in de Westelijke Tuinsteden uitgevoerd moeten worden.
Zo gaan in Overtoomse Veld bewonersadviseurs langs de deuren in het kader van een Sociaal Investeringsplan (SIP). De huisbezoeken zijn niet eenmalig; de bewonersadviseurs komen regelmatig terug en hebben een kantoortje in de wijk waar bewoners terecht kunnen met vragen. Zij bereiken opvallend veel bewoners. Volgens de adviseurs zelf komen ze in de betrokken complexen bij driekwart van de bewoners binnen. Ongeveer een kwart van de adressen doet, ondanks de intensieve aanpak, niet open. Daarbij gaat het niet alleen om bewoners die echt niet willen meedoen, maar bijvoorbeeld ook om mensen die op reis zijn.
De effecten van de huis-aan-huis aanpak zijn het grootst voor de huishoudens die in een zogenoemde multiprobleemsituatie verkeren. Voor de bereikte gezinnen van dit type treedt de adviseur voor een langere periode op als ‘casemanager’, als een tussenpersoon bij wie men met vragen terecht kan en die ook contact kan opnemen of herstellen met de instellingen.
Op grond van de beschreven gevallen kunnen we zeggen dat het bereik in dit opzicht wel degelijk ‘diep’ is te noemen. Voor dit onderzoek hebben we interviews gehouden met bewonersadviseurs over hun ervaringen en over de mensen die zij ontmoeten. Ook zijn interviews gehouden met bewoners uit de wijk.

Moederkindcentrum

Ook het tweede onderzochte programma, het Moederkindcentrum Anne Tefle in de Kolenkitbuurt, heeft grote impact op individuele levens. Voor een moeilijk benaderbare groep van Turkse en Marokkaanse vrouwen slaat het centrum een brug tussen thuis zitten en actiever deelnemen aan de samenleving. Bij de start in 2002 waren de activiteiten vooral op ontmoeting gericht, later kwamen daar ambities als ‘empowerment’ en ‘emancipatie’ bij. De positie van deze vrouwen wordt op veel gebieden versterkt: sociale contacten, beheersing van de Nederlandse taal, werkervaring, emancipatie, opvoeden, gezondheid en gezondheidsbeleving. Dit komt naar voren uit interviews met medewerkers, vrijwilligers van het centrum en vooral ook met bezoekers zelf.
Het Moederkindcentrum legt, net als de huisbezoeken, het accent op maatschappelijk vooruitkomen, maar daarnaast is ook een aspect van samenleven hier prominent aanwezig. De nieuwe sociale banden overstijgen de kleine (familie)netwerken en vormen een kader waarbinnen men elkaar de weg kan wijzen.
Hierbij valt op dat de plek waar dit plaatsvindt eigenlijk niet zo relevant is: het gaat niet om de problemen van een straat, een buurt, een wijk, laat staan van ‘de’ Westelijke Tuinsteden. Het gaat om het aanpakken van problemen van individuen die vaak in deze wijken wonen. Een geconcentreerde, territoriale benadering (huis-aan-huis aanbellen, of alle vrouwen proberen te bereiken via een Moederkindcentrum in de buurt) ligt hierbij voor de hand.

Sociaal beheer

Activiteiten onder de noemer ‘sociaal beheer’ zijn gericht op collectief beter samenleven, en hebben daarmee een minder diep bereik op individuele levens. In de Westelijke Tuinsteden komen we in dit kader uitvoerende professionals tegen zoals de huismeesters en complexbeheerders van de corporaties, maar ook de buurtregisseur (wijkagent), buurtconciërges en jongerenwerkers. Door middel van interviews met deze professionals, jongeren en omwonenden hebben we ons een beeld gevormd van de effecten van deze vormen van sociaal beheer.
Achterstanden van bewoners worden er niet mee weggenomen, laat dat duidelijk zijn. Maar dat is geen reden om deze inspanningen achterwege te laten, integendeel. Uitgebreid en intensief sociaal beheer heeft verschillende belangrijke effecten op een buurt. Minder troep en een prettiger leefomgeving, om maar eens wat te noemen. Rommel en hangjongeren zijn vaak de grootste ergernissen in een buurt: ingegooide ramen, vernielde speeltoestellen, blowende jongeren in portieken.

Sociaal beheer zou een permanenter en grootschaliger karakter moeten krijgen

Het sociaal beheer lost niet alle problemen op in een buurt, maar doet veel meer dan wij als onderzoekers van te voren hadden gedacht. Minder rommel op straat, minder vernielingen of minder vrees voor jongeren is nog wat anders dan het bereiken van meer ‘sociale samenhang’ of ‘sociale cohesie’, maar achter dergelijke royale kwalificaties uit beleidsnota’s schuilt wel een heel hooggespannen beeld van het stedelijk leven. Alsof de moderne buurt meer zou kunnen zijn dan een stadswijk met stedelijke omgangsvormen. Maar ook in wijken waar het uitgesproken netjes is, heersen stedelijke omgangsvormen, waarin een zekere sociale afstand wordt gehouden tussen buren. De buurt is niet zozeer een integratiekader als wel een identificatiekader (zo verwoord door Talja Blokland). Het is een plek waar bewoners zich al of niet thuis kunnen voelen, zich mee kunnen identificeren.
Dat rommel niet aan grotere, abstracte begrippen kan worden opgehangen, betekent niet dat het onbelangrijk is. Draagvlak voor de aanpak van andere problemen kan alleen worden georganiseerd als de voornaamste ergernissen van bewoners zichtbaar aangepakt worden. Sociaal beheer zou in plaats van een project in veel van deze buurten een permanenter en grootschaliger karakter moeten krijgen.

Meer dan imago alleen

Uit het vierde deelonderzoek komt naar voren dat bij de fysieke herstructureringsoperatie beter moet worden nagedacht over de sociale situatie na de vernieuwing. Een verbetering van het imago is niet voldoende; ook na de operatie is er sprake van een stadswijk waarin mensen problemen kunnen hebben om vooruit te komen, samen te leven of zich thuis te voelen.
Onderzocht is wat de sociale effecten zijn van de nieuwbouw van de Geuzenbaan in Geuzenveld. Ook zijn de voorzieningen onderzocht die werden gerealiseerd in samenhang met de Geuzenbaan.
Het onderzoek ontkracht het streven naar een meer gedifferentieerd woningbestand niet. Wel valt op aan het onderzoek naar de Geuzenbaan dat naarmate de sociale afstand tussen bewoners groter is, mensen zich minder thuis voelen in de buurt en zich minder verwant voelen met bewoners uit de bestaande bebouwing. Thuis voelen betekent vooral dat de wijk een positief identificatiekader vormt. Daarin, bevestigt dit onderzoek, spelen voorzieningen een belangrijke rol. De bewoners van de nieuwbouw zijn tevreden over de gerealiseerde voorzieningen zoals de markt, de bibliotheek en het welzijnsverzamelgebouw, maar zouden daarnaast graag meer winkels en horeca met een stedelijk karakter in de buurt zien.
Of differentiatie van het woningbestand leidt tot betere sociale integratie, kan op grond van dit onderzoek niet worden gezegd. Onderzoek dat zich hier op richt, biedt vooralsnog geen uitsluitsel. Hoe dit ook zij, toenemende segregatie maakt de ontmoetingskansen tussen kwetsbaren en weerbaren er niet groter op en dat is als zodanig een punt van zorg. Om die reden mensen verplicht te gaan spreiden of uit buurten te weren, is echter wel een heel draconische maatregel. Het ligt dan ook voor de hand om allerlei wijken qua woningbestand gevarieerder te maken – dus sturing aan de aanbodzijde en geen dwingelandij aan de vraagkant – zodat de individuele keuzevrijheid voor iedereen toeneemt.

Een Amsterdamse benadering

De vier deelonderzoeken overziend, kunnen we concluderen dat bij de huidige sociale programma’s:

  • er meer dan vroeger sprake is van enig paternalisme, van drang en dwang, ook al spreken veel hulpverleners nog steeds over ‘vraagsturing’;
  • er minder wordt gefocust op een specifiek probleem maar op het geheel aan (multi)problemen van een persoon of huishouden;
  • ondersteuning bedoeld is voor iedereen, er wordt territoriaal, huis-aan-huis gewerkt;
  • bewoners zelf verantwoordelijk worden gehouden voor de verbetering van hun leefomstandigheden; er wordt echter erkend dat dit voor sommige bewoners in de Westelijke Tuinsteden moeilijker is dan voor anderen en dat tijdelijke professionele bijstand noodzakelijk kan zijn;
  • er voorzieningen worden ontwikkeld waar buurtbewoners trots op kunnen zijn; sociale voorzieningen hebben niet alleen een directe dienst- of hulpverlenende functie maar zijn ook plekken om zelfbewustzijn aan te ontlenen;
  • bewoners soms worden aangesproken op ‘nabije identiteiten’: als ouders, voorleesmoeders, buurtbewoner, buurtmoeder, sportvader, etc;

Op deze manier kunnen we de contouren ontwaren van wat we een ‘Amsterdamse benadering’ zouden kunnen noemen. De kern daarvan is een subtiele werkwijze om bewoners daadwerkelijk te activeren. Anders dan in Rotterdam wordt niet gegrepen naar oorlogstermen (sociale herovering, stadsmariniers), maar wordt geïnvesteerd in de capaciteiten van de zittende bewoners. Waar het voormalige Rotterdamse gemeentebestuur soms leek uit te stralen liever een andere bevolking te hebben; maken deze programma’s duidelijk dat bestuurders en professionals in Nieuw West geloof hebben in de bestaande bevolking en de mogelijkheid hen ‘omhoog te werken’.

Jan Willem Duyvendak en Stefan Metaal
De auteurs zijn werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam, Afdeling Sociologie en Antropologie