Werkende jongere heeft lage aaibaarheidsfactor

Werkende jongere heeft lage aaibaarheidsfactor

Werkende jongeren krijgen op de woningmarkt steeds meer concurrentie van studerende leeftijdgenoten. Zo zijn er plannen om een deel van de kleinste woningen in de sociale sector te reserveren voor studenten. Gevreesd wordt dat het daardoor voor jonge starters en afgestudeerde jongeren nog moeilijker wordt om een betaalbare woning te vinden. In opdracht van het Amsterdams Steunpunt Wonen wordt momenteel onderzoek gedaan naar de positie van jonge, niet-studerende woningzoekenden. Op 6 december volgt een stedelijk symposium in de Balie.

 
Bijna zestienduizend jongeren ingeschreven bij WoningNet
In de regio Amsterdam leven op dit moment ruim 87 duizend jongeren tussen de 18 en 28 jaar. Slechts tien procent daarvan studeert voltijds en heeft recht op studentenhuisvesting. Bij Woningnet stonden in het eerste kwartaal van dit jaar bijna zestienduizend jongeren ingeschreven in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar. De gemiddelde wachttijd voor starters bedraagt momenteel gemiddeld iets minder dan zeven jaar. Jongeren kunnen zich vanaf hun achttiende inschrijven. Dat betekent dat zij pas rond hun 25-ste aan de beurt komen voor zelfstandige huisvesting.
In de eerste helft van dit jaar was vijf procent van de nieuwe huurders van sociale huurwoningen in Amsterdam jonger dan 23 jaar. In 2004 was dat nog vier procent, terwijl in datzelfde jaar vijftien procent in die leeftijdscategorie actief woningzoekend was. Uit de Jaarrapportage Woonruimtebemiddeling 2004 blijkt echter dat maar liefst twintig procent van de jongeren tot 23 jaar huurt op de duurdere, particuliere markt. De huursubsidiegrens voor jongeren tussen de 18 en de 23 jaar ligt op 331 euro per maand. Het gemiddelde bruto maandinkomen van jongeren tussen de 18 en 25 jaar bedraagt 908 euro.

De medewerkers van het Amsterdams Steunpunt Wonen (ASW) worden tijdens de spreekuren regelmatig geconfronteerd met jongeren die om uiteenlopende redenen hun ouderlijk huis moeten verlaten, maar voor wie betaalbare woonruimte nagenoeg onbereikbaar is. Om die vergeten groep niet-studerende jongeren in kaart te brengen, startte het ASW onlangs een onderzoek naar hun positie op de woningmarkt.
Shirley van Acker van het platform Jongerenhuisvesting van het ASW vertelt dat het onderzoek moeizaam verloopt. “Het is veel makkelijker om bijvoorbeeld onderzoek naar probleemjongeren te doen, omdat zij al in het traject van de hulpverlening zitten. Werkende jongeren en jongeren met een uitkering zijn echter nauwelijks georganiseerd en daardoor moeilijk te traceren. We proberen onder meer via enquêtes beter inzicht te krijgen in de problematiek.”
De positie van niet-studerende jongeren op de woningmarkt lijkt er, sinds studentenhuisvesting hoog op de politieke agenda is gezet, alleen maar op achteruit te gaan. Begin september werd een Intentieovereenkomst Studentenhuisvesting ondertekend door onder meer de twee Amsterdamse universiteiten, de woningcorporaties en de gemeente Amsterdam. Onderdeel van die overeenkomst is het plan om sociale huurwoningen die kleiner zijn dan dertig vierkante meter te bestemmen voor studenten en deze te verhuren via campuscontracten.
Van Acker is er van overtuigd dat door het labelen van kleine goedkope huurwoningen voor studenten, het voor niet-studerende jongeren nog moeilijker wordt om een betaalbare huurwoning te vinden. Van Acker: “De stad wil graag kennis in huis halen en houden en dat is begrijpelijk. Maar er moet vooral ook woonruimte blijven voor jongeren die in de supermarkten of de horeca werken of die straten opknappen. Die werkende jongeren worden echter vergeten als het om huisvesting gaat.”
Ondanks de druk op de woningmarkt voor met name starters is het ASW onlangs gestopt met het bemiddelen van kamers op de particuliere markt, omdat meer dan de helft van het aanbod vanuit de particuliere sector niet aan de criteria van het Steunpunt voldoet. De huurprijs is in de meeste gevallen onaanvaardbaar hoog en de huurders hebben vaak nauwelijks privacy. Ook kreeg het Steunpunt veel klachten over ‘dubieuze bijbedoelingen’ van kamerverhuurders.

Lagere aaibaarheidsfactor

Dagmar Letanche is vice-voorzitter van de Huurdersvereniging Amsterdam. Voor de SRVU (de studentenvakbond van de Vrije Universiteit) pleitte zij jarenlang voor meer en betere studentenhuisvesting in de hoofdstad. “We wilden die huisvesting op de agenda krijgen en dat is prima gelukt. Maar de SRVU is principieel tegen vergaande maatregelen als het labelen van zelfstandige woonruimte voor studenten. Het is bekend dat werkende jongeren een lagere aaibaarheidsfactor hebben dan studenten, maar er wordt vergeten dat de studenten van nu de werkende jongeren van straks zijn.”
Letanche legt uit: “Er worden campuscontracten afgesloten voor studentenhuisvesting. Dat betekent dat je een half jaar na het beëindigen van je studie op straat komt te staan. Maar wil je voor een sociale huurwoning in aanmerking komen, dan moet je wel zeven jaar staan ingeschreven. Zolang duurt een studie meestal niet, dus komen afgestudeerden vaak alsnog in het illegale of veel te dure particuliere circuit terecht, want bijna niemand heeft direct na zijn studie een goed betaalde baan. En als je een bachelorstudie doet van drie jaar kun je het helemaal vergeten. De markt voor starters is al heel krap en wanneer je dan ook nog eens huurwoningen gaat labelen is het eind zoek. Bovendien maak je door reguliere woningen te labelen in onze ogen oneigenlijk gebruik van het begrip campuscontract.”
De SRVU runt het enige overgebleven niet-commerciële kamerverhuurbureau in de stad waar ook anderen dan studenten terechtkunnen. De ASVA (studentenvakbond van de Universiteit van Amsterdam) bemiddelt sinds kort alleen nog voor voltijdstudenten. Zestig procent van de kamers die de SRVU bemiddelt bij particulieren, wordt gehuurd door niet-studerende jongeren. Daaruit blijkt volgens Letanche de behoefte aan woonruimte voor die groep.
Volgens directeur Hans van Harten van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties zal in de praktijk moeten blijken of het labelen van een deel van de voorraad kleine woningen voor studenten ten koste zal gaan van andere starters. “Die kleine woningen zijn uitermate geschikt voor studenten. Een dergelijke maatregel is dus vrij logisch. Via campuscontracten verzekeren de corporaties zich ervan dat er doorstroming ontstaat. We moeten er echter wel voor waken dat de slaagkansen voor studenten en die voor andere starters niet te ver uiteen gaan lopen. Dat gaan we controleren door regelmatig die slaagkansen te monitoren.”

Dakloos

Het aantal dak- en thuisloze Amsterdamse jongeren tussen de 16 en de 23 jaar lag in 2004 tussen de 350 en de zeshonderd. Annelieke Ter Heege is coördinator bij Streetcornerwork Nieuw- en Oud-West. Zij vertelt dat alleen al in ‘haar’ regio jaarlijks ongeveer tachtig jongeren aankloppen die om uiteenlopende redenen dakloos zijn geworden. De meesten krijgen een indicatie voor Begeleid Wonen Amsterdam (het BWA). Maar volgens Ter Heege duurt dat traject gemiddeld anderhalf jaar. “In de tussentijd doen we alles wat we maar kunnen om die jongeren tijdelijk gehuisvest te krijgen. Dat wordt echter steeds moeilijker, omdat er nogal wat opvangplekken zijn opgeheven en er voor tijdelijke verhuur steeds meer concurrentie is gekomen van bijvoorbeeld studenten.”
Om een idee te geven wat voor soort jongeren bij Streetcornerwork terechtkomen, zegt Ter Heege dat er in elk geval ‘weinig havo-vwo-klanten tussen zitten’. “Er komen vooral veel meiden op het spreekuur. Zij komen vaak op straat te staan door nare zaken als seksueel misbruik of ze zijn zwanger en kunnen geen kant op. Jonge jongens – wij zien hier met name allochtone jongens – zijn vaak het huis uitgezet omdat ze bijvoorbeeld schulden hebben of een strafblad, maar soms ook omdat ze een baan krijgen en pa en ma bang zijn om gekort te worden op hun uitkering of de huursubsidie.”
Allochtone jongeren vormen een van doelgroepen waar ook het onderzoek van het ASW zich op richt. Jeroen Slot, hoofd onderzoek van het bureau Onderzoek en Statistiek, pleitte al eerder voor een onderzoek naar de woonbehoefte van de tweede generatie allochtonen. “Deze groep jongeren komt straks massaal van school en is aan zelfstandige woonruimte toe. Het lijkt mij een interessante vraagstelling hoe de wooncarrière van die duizenden jongeren gaat verlopen.”
Er zijn volgens Slot verschillen tussen allochtone en autochtone jongeren wat betreft hun levensloop. “Allochtone jongeren gaan minder vaak naar de universiteit dan hun autochtone leeftijdgenoten. Het gros komt dus niet in aanmerking voor studentenhuisvesting. Ze volgen vaker een beroepsopleiding en als ze gaan werken hebben ze meestal een laag inkomen. Wat we nu al zien is dat meerdere Marokkaanse jongeren vaak op één adres staan ingeschreven. Wordt huisvesting onderling geregeld? En hoe dan? Het is een bekende, aloude klacht dat jonge middengroepen een slechte positie hebben op de woningmarkt. Nu komt er weer een hele nieuwe groep bij. We zien ze aankomen, maar het is onduidelijk waar zij straks hun rechten op de woningmarkt vandaan gaan halen.”

’Je wordt gedwongen een duur huis te kopen’
De 26-jarige Rob (enkele jaren geleden afgestudeerd aan het HBO) woont nog steeds bij zijn ouders in Betondorp. Hij heeft een goede relatie met zijn pa en moe en een eigen – zij het wel heel kleine – kamer. Toch wil deze volwassen werknemer van een telecombedrijf heel graag zelfstandige woonruimte, zodat hij wat meer privacy heeft. “Ik ben geboren Amsterdammer en sta al zes jaar ingeschreven. Dan verwacht je toch dat je zo langzamerhand wel eens aan de beurt bent.”
Rob heeft al een paar keer een woning aangeboden gekregen. De laatste keer was begin oktober. Hij was de derde kandidaat voor een woning van veertig vierkante meter in Betondorp. “In juni was ik tweede voor een woning in Duivendrecht. Zo hoog was ik nog nooit gekomen, dus ik had een beetje hoop. Maar een andere kandidaat heeft in allebei de gevallen de woning uiteindelijk gekregen.”
Rob vindt het onbegrijpelijk dat ‘mensen van buiten de stad’ zoveel makkelijker woonruimte krijgen, alleen maar omdat ze studeren. “Jonge Amsterdammers die werken, moeten toch ook op zichzelf kunnen wonen? Ik zie ook heel vaak bij de woningtoewijzing staan dat mensen met urgentie voorrang hebben. Dan vraag ik me af, wat voor urgentie is dat dan? Zou het misschien helpen als ik naar de deelraad ga en vertel dat ik knallende ruzie met mijn ouders heb?”
Rob heeft zes jaar een relatie gehad met ‘een meisje van buiten de stad’. “Zij is op een gegeven moment ook bij mijn ouders ingetrokken. Maar dat was geen succes, vooral omdat we te weinig ruimte voor onszelf hadden. Het is mede door deze situatie uit gegaan.”
Inmiddels is Rob zover dat hij bereid is een woning te kopen. “Hoewel de huizenprijzen hier vreselijk hoog zijn, word je daar eigenlijk toe gedwongen. Maar ik moet eerst wachten tot ik een contract voor onbepaalde tijd heb gekregen van mijn werkgever. Als het zover is, moet ik maar eens op de koopmarkt gaan kijken.”
‘Ik heb toch recht op een eigen plekje?’
Drie jaar geleden moest de inmiddels 23-jarige Fatima wel bij haar gescheiden moeder weg. De situatie was ondraaglijk geworden. “Mijn moeder haalde allemaal vreemde mannen in huis en sloeg me. Ik werkte toen in een schoenenzaak en moest al mijn geld aan haar afgeven. Op een gegeven moment heb ik mijn spullen gepakt en ben vertrokken.”
Na wat omzwervingen kwam Fatima samen met een vriendin terecht in het huis van een bejaarde man die in de buurt van haar vriendin woonde. “Die man was al 86 en wilde ons – mijn vriendin had ook problemen thuis – graag helpen. We mochten op de bank slapen. We hadden allebei geen geld – mijn baan was ik inmiddels kwijt - en leefden van wat vrienden ons gaven. Zolang we een dak boven ons hoofd hadden, dachten we er niet aan om elders hulp te zoeken.”
Die hulp kwam pas na twee jaar, toen de buren naar de politie waren gegaan, omdat ze het niet vertrouwden dat twee jonge meiden bij zo’n oude man in huis zaten. Bovendien was de woning behoorlijk aan het vervuilen. “Opeens stond de politie voor de deur. Die hebben ons eerst naar de GGD gebracht, omdat ze dachten dat we misschien ziek waren geworden in die vuile woning met al die schimmel, maar dat was gelukkig niet zo.”
Met de hulp van Streetcornerwork heeft Fatima haar leven na een jaar weer enigszins op de rails. Ze heeft sinds mei een uitkering en haar vriendin kreeg na bemiddeling een woning van Rochdale. “De bedoeling was dat ik bij haar zou intrekken. Die woning stond echter op haar naam en ik kon me daar niet inschrijven omdat zij dan gekort zou worden op haar uitkering. Al na een week kregen we ruzie over geld en stond ik weer op straat.”
Fatima verblijft nu tijdelijk bij een vriend. “Maar ik heb een eigen adres nodig, ook voor mijn uitkering. Een urgentieverklaring is onlangs afgewezen door de Dienst Wonen. Maar Streetcornerwork gaat toch nog een keer met Rochdale praten. Er zijn zoveel woningen leeg, maar die zijn blijkbaar alleen bestemd voor mensen die studeren of die meer geld hebben dan ik. Maar ik heb toch ook recht op een eigen plekje in de stad waar ik ben geboren?”

Janna van Veen

 

Deel
Werkende jongere heeft lage aaibaarheidsfactor

Werkende jongeren krijgen op de woningmarkt steeds meer concurrentie van studerende leeftijdgenoten. Zo zijn er plannen om een deel van de kleinste woningen in de sociale sector te reserveren voor studenten. Gevreesd wordt dat het daardoor voor jonge starters en afgestudeerde jongeren nog moeilijker wordt om een betaalbare woning te vinden. In opdracht van het Amsterdams Steunpunt Wonen wordt momenteel onderzoek gedaan naar de positie van jonge, niet-studerende woningzoekenden." data-share-imageurl="">

Trefwoorden: