90 jaar AFWC

90 jaar AFWC

Altijd intermediair tussen corporaties en gemeente

“Het behartigen der belangen harer leden in het bijzonder en die der Volkshuisvesting in het algemeen.” Met die doelstelling werd op 23 maart 1917 door zestien Amsterdamse woningcorporaties de Federatie van Amsterdamsche Woningbouwvereenigingen opgericht. Het was geen toeval dat de nieuwe organisatie juist in de Eerste Wereldoorlog tot stand kwam. Volkshuisvesters konden amper nog aan bouwmaterialen komen en de kosten van woningbouw waren tot ondraaglijke hoogten gestegen. Dankzij de Amsterdamse wethouder Wibaut konden de corporaties na afloop van de oorlog alsnog een inhaalslag maken. Hij stelde zich garant voor eventuele exploitatietekorten bovenop de financiële voorschotten die woningbouwverenigingen dankzij de Woningwet uit 1902 voor woningbouw konden krijgen. Het was het begin van een innige verhouding tussen de Amsterdamse corporaties en het gemeentebestuur.

Onderhands nieuwbouw verdelen

Vanaf het begin had de Federatie de taak haar leden op de hoogte te houden. Ook sloot ze collectieve verzekeringen voor hen af en trad ze op als de belangrijkste overlegpartner voor het gemeentebestuur. Na de Tweede Wereldoorlog ging de koepel zich op verzoek van de wethouder bemoeien met het toewijzen van nieuwbouwprojecten. Er werden ‘objectieve’ criteria bedacht waarbij de bouwcontingenten eerst over de drie zuilen – neutraal, protestants-christelijk en rooms-katholiek – en vervolgens over de individuele verenigingen werden verdeeld. Dat daarbij de grootste partijen ook de meeste nieuwbouwwoningen kregen toegewezen, zorgde wel vaak voor heftige interne discussies. Een deel van de leden vond sowieso dat de Federatie te veel macht en bevoegdheden naar zich toe trok ten koste van de individuele corporaties. Toch bleef het systeem intact en werd het later opgevolgd door de ‘kruisjeslijst’ en de ‘ABC-regels’. Pas in de jaren negentig van de afgelopen eeuw werd de onderhandse verdeling van nieuwbouwprojecten afgeschaft en gingen de corporaties noodgedwongen de strijd met elkaar aan.

Dubbelzinnige relatie

Met de gemeente heeft de Federatie altijd een dubbelzinnige relatie gehad. Vaak waren de verhoudingen prima. Zo ontving heel lang de directeur van de Gemeentelijke Woningdienst een uitnodiging voor elke vergadering van de Federatie. Ook werd hem in netelige kwesties regelmatig om advies gevraagd. Maar er waren perioden dat conflicten de boventoon voerden. In 1922 stond de gemeente bijvoorbeeld op het punt twee corporaties te ontbinden, omdat ze weigerden de huren te verhogen. En regelmatig vielen er harde woorden over het ‘voortrekken’ van het Gemeentelijk Woningbedrijf bij het verdelen van een nieuwbouwcontingent.

Vanaf de jaren zestig verzakelijkten de verhoudingen definitief. De gemeente had eerder al ingegrepen bij de woningdistributie en wees voortaan zelf de helft van alle vrijgekomen woningen aan urgenten toe, of ze nu wel of niet lid waren van een vereniging. Corporaties kregen steeds meer trekjes van gemeentelijke uitvoeringsorganisaties die zelf weinig hadden in te brengen. Hoewel corporaties zich in de jaren zeventig en tachtig steeds meer aan die rol ontworstelden en met bewoners actie voerden tegen een al te rigoureuze stadsvernieuwing, kregen ze pas met hun verzelfstandiging in 1993 volledige beleidsvrijheid terug.

Nieuwe rol

De veranderingen in de sector in het afgelopen decennium hadden ook voor de Federatie grote gevolgen. Het accent kwam nog meer te liggen op het scheppen van gunstige investeringscondities voor de leden. Ook wierp de organisatie zich steeds vaker op als woordvoerder naarmate de sector in de media steeds meer werd bekritiseerd. Met de introductie van de gemeenschappelijke beleidsovereenkomsten werd het monitoren van de sociale woningvoorraad voor de Federatie nog belangrijker. En ook de regionalisering van de woningmarkt zorgde voor nieuwe taken en overlegpartners die daarvoor buiten beeld waren gebleven. Hoewel het aantal leden door fusies steeds verder afneemt en de grotere corporaties steeds beter hun eigen boontjes kunnen doppen en volop samenwerken met andere strategische partijen, lijkt er voor de Federatie de komende jaren meer dan voldoende bestaansrecht. Het laatste akkoord met de gemeente is daar een voorbeeld van.

Jaco Boer